h v e r h a l e n h

EEN BROER ONDER BROERS
MAHADIA
DE DAME MET HET PONTJE
DE MAN MET HET HONDJE

EEN BROER ONDER BROERS (vervolg op DE MAN MET HET HONDJE )

I

Na wat zijn broer Hans was overkomen – van een uitzichtloos huwelijk in een fatale affaire beland en van Hollandse sleur in een Peruviaans baarhuis  – was Jaap van Trees schuwheid alleen maar toegenomen. De enigen die hem nog na stonden waren zijn droeve moeder en schoonzus. Het had er even op geleken dat ze gedrieën een gezin zouden worden toen Jaap een huwelijk met Hans’ weduwe overwoog. Het was er niet van gekomen, want niemand zag het nut: ze aten al samen, ze wandelden veel, ze volgden hun series op tv en soms keken ze elkaar aan met Hans in hun ogen.

Hoewel de politie Alie geïnformeerd had over de omstandigheden van Hans’ dood sprak zij daar nooit over. Ze nam de feiten in zich op en leefde verder. Ze was verdrietig, zeker, maar ze kapselde verdriet in haar dagelijks leven in, en wat je niet doodt maakt je sterker. Ze was sterker gebleken dan Hans, zoals ze altijd al vermoed had. Moeder en Jaap, haar naaste vrienden, had ze nooit de volledige waarheid verteld omdat ze gespaard moesten blijven, omdat ze Hans als die trouwe, nijvere zoon en broer moesten herdenken  - ze had ook graag dat er in die termen over hem gesproken werd. ‘Hans zou nu hebben staan afwassen’, merkte moeder dan op en Alie miste de liefde van haar leven.

Pas toen in de sensatiepers reconstructies van Hans’ Latijnse lijdensweg verschenen – veel later pas, en overal tegelijk - besefte Jaap voor het eerst wat een romantische dood zijn broer gestorven was en – in contrast – wat een lusteloos leven hij zelf leidde. Hij probeerde dit benauwende gevoel te delen met zijn twee vriendinnen, maar zij zagen het nette leven als een verdienste en als voorwaarde voor een rustig bestaan. Had de dwaalleer niet tot broeders dood geleid? 

Jaap was arbeidsongeschikt en schoffelde de tuintjes van bejaarden. Dit werk had hij niet kunnen missen, want hij voelde zich er jong en sterk door. ’s Zomers droeg hij mouwloze hemden en keek hij bewonderend naar zijn armen wanneer hij een spade in de aarde stak. Groepjes dames die voor hun aanleunwoningen koffie dronken bewonderden mee. Zijn zelfvertrouwen was elke dag toegenomen en op een uitzonderlijk mooie juliavond kocht hij bij de supermarkt een krat bier die hij met een hand boven de kassa uittilde om de kassière van dienst te zijn – de kassière die al wekenlang erg vriendelijk naar hem lachte. ‘Als je ook een flesje wil?’ zei hij, waarop zij hem recht aankeek, maar niets antwoordde. Jaap liet de krat uit zijn handen vallen. ’s Winkels aandacht concentreerde zich op het tafereel. Het meisje: ‘Laat u er wel eentje heel dan?’

Hij kreeg steeds meer de pest in over zijn leven  en droomde ’s avonds aan een borrel weg bij de glansrijke ondergang van zijn broer, en hoe meer hij droomde, hoe meer hij hem ging zien als een romantische martelaar, en waar journalisten gefocust hadden op de mislukking, concentreerde Jaap zich op het maar net misgelopen succes. Die Cristina, de femme fatale die de levenswandel van Hans had omgeleid en ingekort,  zou zij ook verdriet hebben? En zo diende zich een voorwendsel aan om contact met haar te zoeken. Zijn broer had haar naam immers op zijn lippen gehad toen hij stierf, hadden de kranten geschreven!

Niemand had na Hans’ dood zijn e-mails willen lezen – uit gene, maar vooral uit vrees voor wat erin zou kunnen staan. Alie zou zich weer de falende echtgenote voelen, terwijl ze met haar verstand, op basis van feiten, wist dat Cristina Hans bepaald niet méér geluk gebracht had, dat hij een dodelijke vergissing had gemaakt, en dat de geschiedenis, zo gezegd, aan haar kant stond. Jaap echter had zich nu resoluut voorgenomen de Peruviaanse verleidster te benaderen en kon van Alie de benodigde wachtwoorden niet loskrijgen, maar van een betrokken journalist – die het volgende verhaal al aan zag komen - maar al te snel.

Voor Cristina voelde hij niets dan nieuwsgierigheid. Hij was niet boos, hij was niet begerig, hij was slechts benieuwd. In zijn vrijgezellenfantasie (vooruit, hij was een beetje begerig misschien, zoals een muis uit z’n holletje kruipt om een kat te begluren) was ze voluit Zuid-Amerikaans: donker- en langharig, volbeboezemd, luidruchtig, zelfverzekerd, brutaal – kortom alles waar hij doorgaans voor zou vluchten. Het vreemde was dat hij van zijn broer nooit maar iets gehoord had over Cristina. Hij had haar bestaan, zo bleek, alleen een buurman toevertrouwd, die er geen woord van geloofd had maar op de begrafenis al twijfels kreeg en na de Onthullingen een bos bloemen op het graf was gaan leggen – en verder moest Jaap zijn beeld baseren op wat hij in de kranten las.

Cristina kreeg een mail, en zo lang als ze Hans in isolement op zijn hotelkamer had laten zitten, zo voortvarend stuurde ze broer Jaap haar antwoord. Ja, ze had ervan gehoord – er was een tv-ploeg uit Nederland gekomen die ze op de stoep had laten staan – ja, ze mist Hans net zo erg, ze had zich erg aan hem gehecht, en, dit ongevraagd, ze was heel blij dat ze nu met zijn broer in contact stond over wie ze, dit gelogen, veel gehoord had. Jaap schreef als een neutrino nieuwe mails en kwam met Cristina snel op intiemer voet. Net als zijn broer omzag hij haar tekorten en viel hij voor haar uitstraling.

Hij vertelde niemand van zijn correspondentie, maar Alie - ervaren op dit terrein - kon het raden. Venijniger dan ooit zei ze tijdens een wandeling: ‘Een romantische dood… Behalve romantiek, Jaap, betekent dat ook dood!’ –‘Ik ben al heel m’n leven zo goed als dood’, dacht hij dramatisch, maar hij knikte.

II

In plaats van twee waren er nu drie vrouwen in Jaaps leven – een nooit vermoede overvloed. Er waren zijn moeder en schoonzus, met wie hij het gemis van Hans deelde, en vele middaguurtjes, en er was zijn Latijnse Cristina, die moeder en Alie tot wanhoop dreef. Ze wanhoopten over de blindheid die Jaap overkomen was – de vrouw nota bene die zijn broer uit zijn dorp naar Lima gelokt had, naar de morsige straten van Lima – naar een eenzaam doodsbed… Maar die vrouw – dat had Jaap toch goed begrepen? – had Hans niet eens ontmoet. Hans had zich mager gevast en dood gedronken – niet omdat hij Cristina had, maar omdat hij haar níét had, en de gedachte aan Alie had hem er niet van weerhouden. Hij was in het dorp en in de landelijke kranten neergezet als een trieste man die het in zijn midlifecrisis niet eens gelukt was overspel te plegen, maar Jaap begon in te zien dat Hans juist moedig was: hij was het dorp uit gereden, de gemeentegrens over, parkeerde bij de luchthaven, nam een vliegtuig, landde in Peru en zocht naar spanning, vernieuwing en bevrediging. Hij vond verveling en teleurstelling en had bitter terug kunnen komen, maar aanvaardde hoe het was – hoe kennelijk zijn hele leven was. Hij verkoos een beneveld einde boven een helder, hopeloos leven. Alie was laf omdat ze de waarheid niet onder ogen wilde zien, Cristina was laf omdat ze zich geld liet sturen maar de gever niet wilde ontmoeten, en de grootste lafaard was Jaap zelf, die vluchtte in conventies – hij had godbetert die antivrouw van een Alie willen trouwen – als een leproos in een kolonie. Maar het roer kon nog om: hij wilde een leproos zijn en zijn wonden tonen op straat en lachen als hij bespuugd werd, indachtig zijn broer, die had durven breken met het leven. Liever nog: hij wilde het leven leiden dat zijn broer voor ogen had gestaan.

Hij hoefde niemand te misleiden of bedriegen en kondigde zijn vertrek naar Lima aan. ‘Een gewaarschuwd mens…’ sprak zijn moeder dreigend en even zag hij de gammele, rotte brug voor zich met het bordje: Pas op, één persoon tegelijk. Hij stak toch over.

Omdat hij niet dezelfde fouten wilde maken die zijn broer gekneveld hadden had hij voor vertrek een goedkoop hostel gereserveerd en Cristina’s adres laten verifiëren. Ze had hem bezworen dat ze hem wilde zien en dat Rodrigo bij haar weg was. Ook had ze hem een taxi aanbevolen die niet duur was en haar huis kon vinden. Gronden tot wantrouwen had hij weggeredeneerd, hoezeer moeder en Alie ook probeerden hem bij zinnen te brengen. Ze konden nog slechts slapen bij de veronderstelling dat ook twee ezels zich in ’t gemeen niet stoten aan dezelfde steen.

Een trapwagen werd op de Boeing aangesloten en Jaap daalde af in de tropische hitte. Zoals in alle nare landen stonden er militairen op het platform. Hij liep in een slang zwetende reizigers naar de aankomsthal en zag zijn koffer voorbij rijden. Hij begon zijn avontuur dus fortuinlijker dan zijn broer en een half uur later stond hij aan de Peru-kant van de douane. Een taxi bracht hem vlug, gekoeld en comfortabel naar zijn hostel en terwijl volgens de wetten van tragedie deze meevallers verdisconteerd moeten worden, trof hij geen zwelgende Duitser aan de bar, maar een stel vrolijke Rotterdamse meisjes die van hun laatste soles af moesten en Jaap mee lieten delen in de alcoholische revenu. ‘Wat brengt je in Lima?’ –‘Zaken…’ Daar had hij het bij kunnen laten, maar: ‘Dingen… Vrouwen…’ Een accurater antwoord had hij niet voorhanden, want waar kwam hij eigenlijk voor? Hij kwam om zichzelf te bewijzen dat hij geen lafaard was, dat hij het onbekende niet vreesde, dat hij geen boer was onder boeren, maar een broer onder broers. De meisjes snapten het wel: ze hadden vaker zulke reizigers gezien.

III

De volgende ochtend, op weg naar Cristina, begreep hij waarom de taxi zo goedkoop was: op tien minuten van zijn hostel stapten nog twee mannen in. Hij vroeg of zij ook in Independencia moesten zijn. Nee, zij hadden andere plannen, ze wilden naar een pinautomaat. De portieren schoten op slot, een vuurwapen kwam tevoorschijn. De mannen hoefden geen agressie te tonen om Jaap te doen trillen van angst. Een stekende kou trok langs zijn ruggengraat, zijn hart bonsde en een stompzinnig, trekkend lachje verscheen op zijn gezicht. Ze reden naar een bank en vertelden Jaap de daglimiet op te nemen. ‘Vlucht niet sein niet schreeuw niet!’ Maar die waarschuwing was overbodig, want Jaap zag voor zich hoe hij wegrennen zou en in zijn hielen geschoten werd, hoe hij zwaaide naar een employee en zijn hand doorzeefd kreeg, hoe hij zijn mond opende om te schreeuwen en.. . en hij besefte dat zijn geld hem minder waard was dan hiel, hand en gehemelte. De bank waardeerde zijn vege lijf op 1500 soles. Hij gaf de mannen zijn geld en was vastbesloten een lift af te slaan – maar het verbaasde hem zelf hoe weinig het pistool hoefde aan te dringen of hij stapte alweer in. Ze maken me dood, dacht hij, ze maken me godverdomme dood. Anderhalve dag heb ik het uitgehouden! Ik heb meer geld, morgen heb ik meer geld! Hij huilde het uit: soles, más soles, mañana! De afpersers dankten hem omstandig voor zijn meedenkendheid, zijn hulpvaardigheid. Ofwel: ze minachtten hem om zijn lafheid. De man links van hem, een dikke, donkere, stinkende man in een blauw-geblokt, bruin-bevlekt hemd sloeg hem de kolf van het pistool in zijn gezicht. De chauffeur schold: doe rustig, straks zeikt-ie m’n bekleding onder! Goddank verstond Jaap dat niet, want het zou de druppel zijn geweest die zijn blaas deed overlopen.

Het draaiboek was al vooruit gelopen op zijn toeschietelijkheid. De taxi stopte voor een vies-grijs, beklad, bemost gebouw. ‘We hebben een kamer voor je gehuurd: ons kado aan jou! Dit is je nieuwe hotel. Morgenochtend om negen uur gaan we weer een ritje maken. En for your information: we weten waar je liefje woont, ze rekent op je medewerking... Tu Cristina…’ En hij begreep: geen trucs, geen tranen, geen trammelant. Dat hij ook haar nog mee moest slepen in dit drama! Hij zou haar nooit meer onder ogen durven komen...

Elf dagen op rij, op één woensdag na – maar hij durfde niet te vluchten – werd hij opgehaald om geld op te nemen en af te staan. De twaalfde dag was het op. Hij werd ruw terug de auto in gesleurd, bespuugd en op het vliegveld gedropt. De mannen hadden besloten dat hier in Lima niets meer te zoeken had. Had hij een retourticket gehad, dan was het hierbij gebleven, dan was hij naar huis gegaan en had hij verteld dat het zo heerlijk was geweest, dat hij nu wist wat passie was, dat hij nooit meer anders wilde, maar vooral ook nooit meer terug omdat de herinnering al voldoende was. Hij zou heggen knippen, stoepen vegen, ramen lappen en met Hans’ fatalisme en Alies zwijgzaamheid dóórleven, zoals hij altijd geleefd had. Hij had het in elk geval geprobeerd, hij had voor één keer het roer omgegooid, om te ontdekken dat rechtdoor de juiste koers was.

IV

Dit alles vertelde een uitgeputte, moedeloze Jaap me in een kroeg in Lima, waar hij ’s ochtends de krukken op de bar zette, de voer dweilde en op zolder sliep. We spraken als twee Hollanders alleen, begrepen elkaars leed. Ik stuur u dit relaas als een schreeuw om aandacht – ik geef het toe! Jaap is er niet meer – ik weet niet waar hij wel is – ik ben op mezelf aangewezen, en op God, die nooit naar me omgekeken heeft. Ik put hoop uit Cristina, met wie ik nu soms mail, maar die te druk is om me te ontmoeten. Ze heeft drie banen, ik wou dat ik haar geld kon sturen, maar heb zelf niets. Help me, hoed me, haal me hier weg!

top

MAHADIA 


Toen ik nog heel jong was, en onaangetast door enige notie van politiek, wilde ik vriendschap sluiten met Mahadia, mijn zwarte

klasgenote die nog niet zo lang in Nederland woonde. Niet alleen haar huidskleur was nieuw op school, ook haar geloof - ze was

moslim en droeg een hoofddoek. Een snelle beheersing van het Nederlands weerhield haar er niet van zich uit te drukken in 

norsheid en agressie. Dit geweld - soms  blééf ze maar schoppen, als antwoord op een onschuldige groet - nam me voor haar in:

het was het logische en tragische gevolg van een oorlogstrauma, zoals de meester ons verteld had.


Veel kinderen hadden meer afkeer van het ongewone dan belangstelling voor het exotische, dus was Mahadia in de pauzes aan

mij overgeleverd, en dan zaten we in vrede naast elkaar op een boomstronk op het schoolplein. Mahadia vertelde, met de

typische onomwondenheid van een kind, over de oorlog in haar vaderland. Niet over strategieën en belangen, maar over schoten

en doden, en over haar zusjes die achter waren gebleven. Ze vertelde over haar geloof en haar hoofddoek, die me vervulde van

respect en van nieuwsgierigheid naar wat eronder schuil ging. Ze vertelde over haar eerste verblijfplaats in Nederland, ‘waar geen

Nederlandse kinderen wonen’. Toen Mahadia jarig was trok ik uit een atlas de plattegrond van Somalië over en deed ik haar die 

tekening kado. Het meisje ontstak daarop in woede. Ik was even verontwaardigd, maar al snel begripvol - een gevolg immers van

het trauma. De meester zei nog: ze heeft het niet als Somalië herkend. Hoe zonderling Mahadia zich ook gedroeg, mijn sympathie 

was onverwoestbaar en bijna dagelijks voerden we ernstige gesprekken.


Op werkweek stond een groep jongens door het sleutelgat van de meisjesslaapzaal te gluren. Ik wilde doorlopen, wellevend als ik

was, maar kon mijn nieuwsgierigheid toch niet bedwingen. Wat was er te zien? Michelle in haar bh? Ik wachtte mijn beurt af en 

keek. Mahadia kamde haar lange zwarte haren. Vanaf die dag hebben we geen woord meer gewisseld en als ze me schopte, dan

schopte ik terug.

top


DE DAME MET HET PONTJE

 

Op het dak van de stuurhut landden soms aalscholvers. Door het dunne plaatwerk heen hoorde de dame met het pontje dan

vissen gefileerd worden. Elke vrijdagavond na de laatste overzet moest ze een roestig laddertje op om veren en graten weg

te vegen en vastgekoekte vissenogen af te krabben. Vervolgens nam ze een ruwe borstel en boende ze mosseltjes en algen 

van de rijplank. Om de week controleerde ze alle reddingsboeien en -lijnen, ontstopte ze de pomp, die het kanaal moest 

buitenhouden, en maandelijks herlas ze het evacuatieprotocol en smeerde ze de slagboom. Als ze de burgemeester aan boord 

had – en dat gebeurde nogal eens – kwam ze hem begroeten en stond ze hem niet toe te betalen. Zijn vrouw, assistent en 

wethouders moesten wel gewoon hun veertig cent voldoen. Ze kon niet bezig blijven. ‘Straks willen al uw onderdanen ook nog

gratis’, zei ze. De burgemeester knikte begrijpend. ‘Daar veeg ik de poep niet voor van m’n dak.’ De burgemeester zag het probleem.

 

In het voorjaar zag ze futen baltsen, koeten fitten, rallen jagen, zwanen blazen, witvis vluchten, en dat was schitterend, elk jaar 

opnieuw. Ze zag ook ratten zwemmen met pulletjes in hun bek en water donker kleuren waar een snoekbaars toegeslagen had. ‘s 

Zomers mengden de mensen zich in het kanaalsverkeer, en die mensen letten slecht op. Soms ontweek ze ternauwernood een 

plezierjacht en eenmaal had ze bijna een zwemmer overvaren. In de herfst regende het altijd, en ’s winters was ze naast 

vervoerder ook ijsbreker. (IJs was haar grootste concurrent.)

 

Er waren opvarenden die geen kleingeld hadden en terug wilden van vijftig, er waren pubers die net na vertrek nog mee wilden

varen, of vlak voor aankomst aan land springen, en tussen wal en schip kwamen, wat in het eerste geval hinderlijk, en in het 

tweede gevaarlijk was, er waren chagrijnige mensen met haast, er waren mensen chagrijnig uit principe, er waren opdringerige 

mensen op rustige middaguren, er waren mensen die drie of vier keer heen en weer voeren, achtereen, meestal uit de Randstad, 
er waren dagen dat de bonnenboekjes op waren en mensen niet meer betaalden (‘dat koopt de baas niet’), er waren kortom allerlei 

bijkomstigheden die ze graag zou missen, maar het meest van alles verafschuwde ze de hoofdzaak: de overkant, steeds weer die

andere overkant.

 

Nu was ze niet rebels van aard en had ze thuis een poes te voeden, anders was wat gebeurde al jaren eerder gebeurd. Op een

herfstdag (inderdaad, het regende) legde ze de volle pont stil tussen de overkanten. Ze keek om zich heen, zag wat ze zag en nam

een besluit: ze zette de pomp om. Vanwege de zware lading – vier auto’s, twintig man en een notabele – werd snel water gemaakt.

De pont begon te kantelen, fietsen vielen om, passagiers grepen de reling en beseften dat ze zonken.  De dame met het pontje 

sneed haar polsen door, wierp zich te water en zwom voor haar dood.


top


DE MAN MET HET HONDJE

Een lijkwagen rijdt luid toeterend over een druk kruispunt in Lima, Peru. De chauffeur stuurt en claxonneert met één hand en houdt met de andere de kist tegen, die is begonnen te schuiven door het geringe gewicht van Hans van Tree, die erin ligt. Op de bijrijderstoel zit een hondje.

Hans van Tree was jarenlang getrouwd geweest met Alie. Ze hadden geen kinderen, maar wel honden en die honden verbonden hen. Aan tafel spraken ze nooit meer een woord, maar drie maal per dag, tijdens hun wandelingen door het buurtpark, verkenden ze samen de constanten en de extremen van de huisdierenpsychologie. Ze voorspelden het gedrag van hun schnautzer, die nergens bang voor was, en verklaarden de looplijnen van hun labrador, die katten ontweek en fietsers, maar eenden en ganzen vakkundig in een hoek dreef.  Als het struisvogels waren geweest had hij ze opgegeten, zeiden de trotse baasjes dan tegen elkaar, maar eenden en ganzen kunnen vliegen en ontkwamen.

Op een dag stierven beide honden aan een voedselvergiftiging. Die zaak heeft de landelijke pers nog gehaald en de lokale slager duizenden euro’s smartengeld gekost, maar aandacht en geld konden de vergiftiging van Hans en Alies huwelijk niet meer tegengaan.

Beide partners zochten hun heil op internet. Alie borduurde honden van alle rassen op truien en sokken en verkocht die via marktplaats. Hiermee verdiende ze geld dat ze nergens aan uitgaf. Hans vond zijn weg naar een andere markt: die van de internationale liefde. Hij stak zijn smartengeld in premium lidmaatschappen en kwam in contact met de mooiste vrouwen wereldwijd, met wie hij vaak zelfs interesses deelde. Zo was er Aung Li, die net als hij van muziek hield, en Carlita, die ook graag goede wijn dronk. Met Innocence haalde hij herinneringen op aan wijlen hun beider hondjes, maar het meest was hij weg van Cristina, een Peruviaanse met wie hij niets gemeen had dan een ongelukkig huwelijk. Cristina was eind twintig (hij eind vijftig) en uitgekeken op haar Rodri, die al hun geld opdronk en hun meisjes sloeg.

Wat sprak Hans aan in Cristina? Haar denkbeelden: ze maalde niet om leeftijdsverschil, was liberaal in de omgang en hield van haar kinderen zoals hij van Bruno en Franc gehouden had. Haar humor: als Alie een truitje bezorgde, of boodschappen deed, en Hans kon cammen, lachte ze om zijn grappen. Hij was een man die nadacht over humor. Toen hij op zijn werk een goede jodenmop hoorde, verving hij elke Jood door een Mexicaan en maakte hij met enkele woorden Engels, wat Spaans, zijn handen en zijn neus Cristina onbedaarlijk aan het lachen. Ze moest een glas water gaan drinken om niet in haar broek te plassen, zei ze. Hans wist niet of dat nu ook een grap was. Verder, daar wilde hij niet schijnheilig over doen, zag ze er goed uit: ze miste wat tanden, was iets te dik en haar linkerborst was groter dan de rechter, dat kon je door haar kleren heen zien, maar het algemene plaatje sprak hem aan. Hij zei wel eens bij zichzelf: uiterlijk is een, uitstráling is twee. En dan dacht hij erachter aan: vergelijk het eens met Alie. Haar borsten zijn precies gelijk, inderdaad, precies even lelijk.

Eenmaal had hij iemand zijn geheime geluk toevertrouwd: een bevriende overbuurman. Die had echter blijk gegeven van een nogal vulgaire, vrouwonvriendelijke geest door direct over ‘post order brides’ te beginnen, een handel die Hans wel kende, maar waar hij zich verre van hield. Even overwoog hij zijn vrouw in te lichten, maar dat liet hij achterwege: waarschijnlijk wist ze het toch al, en kennelijk deed het haar niets, want ze had er nooit iets van gezegd.

Hans mailde met Cristina, soms zagen ze elkaar op de webcam, en nu een dan stuurde hij haar brieven, foto’s en Amerikaanse dollars. Ze vroeg trouwens nooit om geld, wat zijn vrijgevigheid alleen maar aanmoedigde. Hier koop je voor vier euro een fles wijn, dacht hij, daar misschien wel drie. Hij verkocht het hondenhok, dat nu toch geen functie meer had, en schafte met de opbrengst een webcam met hoge resolutie aan om naar Peru te sturen. Helaas had Alie de aankoop gevonden en op haar laptop geïnstalleerd. En met haar hoefde Hans niet te cammen, dat zou omslachtig zijn geweest.

Soms speelde hij met de gedachte een ticket voor Cristina te kopen. Hij zou haar de Kinderdijk laten zien, de Afsluitdijk en de Houtribdijk, en in het café halverwege, waar hij vroeger zo vaak kwam toen hij nog wielrende, zouden ze kussen. Natuurlijk was dit idee onuitvoerbaar, zolang Alie niet voor dezelfde periode zou verdwijnen. Hij redeneerde dat ook Alie een ticket moest krijgen, en nam alvast contact op met een nicht in Australië. Ten slotte kwam hij tot de conclusie dat het beter zou zijn om zelf naar Peru te vliegen.

Voor hij een excuus bedacht peilde hij Cristina’s gedachten. Zouden ze elkaar kunnen ontmoeten, in Lima? Dat kon, dat kon. Haar terughoudendheid stelde hem teleur en hij vroeg wat het probleem was. Niks, niks, er was geen probleem, maar ze was wel getrouwd. Ze waarschuwde hem voor haar man, die jaloers en agressief was. Hij dacht aan Alie, die van hem juist wel wat jaloerser en agressiever mocht zijn en vond Rodrigo’s houding begrijpelijk. Hij zou in een hotel verblijven en Cristina zien in cafés  en restaurants en mocht haar man toch opduiken, dan zou hij eerst beleefd zijn en praten als een kerel, maar als het nodig was blaffen en vechten als een hond.

Aan het ontbijt, vanachter de koffiedamp, vertelde hij Alie over zijn reisplannen. Zij begreep het en erkende dat een motortocht over route 66 niets voor haar zou zijn. Zij kon misschien met een weekend naar Knokke gaan, of Amsterdam.

Op het vliegveld van Lima werd Hans in een taxi naar zijn hotel gebracht. Helaas bleek zijn bagage hem niet te hebben gevolgd. Hij vloekte even, maar dacht: bij een nieuw leven hoort een nieuwe koffer. Hij dronk een Corona in de hotelbar en moest opeens weer denken aan de jodenmop, die hij vertelde aan een andere gast. Het bleek een Duitse zakenman te zijn met weinig gevoel voor humor maar veel ervaring met Peruviaanse vrouwen. Hij onderhield er zes en wilde zijn collectie completeren met de dame achter de toog. Hans zag niet wat er aantrekkelijk was aan deze Joachim, maar hij viel ten slotte ook op vrouwen. Vrouwen… Cristina… Cristina…

’s Ochtends zocht hij een internetcafé. Cristina was niet online, maar hij schreef haar een e-mail. Drie dagen later kreeg hij antwoord: ze had het druk, ze kon nog niet afspreken. Hij was teleurgesteld maar doodde de tijd door te wandelen in de stad, te kletsen met meisjes op straat en bier te drinken met Joachim, die wel erg vaak in de bar zat voor iemand met zes vrouwen. ‘Mannen met één vrouw hangen al graag in de kroeg, kun je nagaan hoe het met mij is’, verklaarde zijn nieuwe vriend zich. Hans had vaker moeite met logica, zo kon hij moeilijk wennen aan het tijdsverschil, en ook nu voelde hij dat dit geen bevredigende verklaring was, maar wist hij niet waarom. ‘Als-ie overdrijft, en hij heeft er eigenlijk maar vier, dan doet-ie het nog goed,’ zei Hans bij zichzelf.

Een week ging voorbij zonder nieuws van Cristina. Hij had geen telefoonnummer, of beter gezegd: zij had geen telefoon, en het adres waarnaar hij zijn dollars gestuurd had bleek een postkantoor te zijn.  Daar informeerde hij naar Cristina Corazón, maar ‘dat kunnen er zoveel zijn’. Hij zocht naar verklaringen en vond er tientallen. Ze was bang voor Rodri, ze was ziek, ze had werk en kon niet weg, ze was nerveus, ze geloofde hem niet, enz. enz. Aan het eind van de maand kreeg hij een enorme rekening: dertig nachten, negentig maaltijden en driehonderdtwintig bier. Joachim, die hij al een paar dagen niet gezien had, had op zijn kosten gedronken.

Om de eenzaamheid te ontlopen begon hij nachtclubs te bezoeken, en aandachtig observerend vanaf zijn kruk formuleerde hij weer psychologische wetmatigheden, zoals hij vroeger met zijn vrouw deed in het park: vrouwen die op tafeltjes staan te dansen, zijn nooit de allermooisten; de jongste meisjes zoenen met de breedste kerels; blonde mannen hebben succes. Alleen de blonde Hans had geen succes, hij dacht niet eens aan succes. Hij dacht alleen maar aan Cristina en zijn lieve hondjes.

Hij telde zijn geld en besloot anders te gaan leven: niet meer dagelijks op internet, één maaltijd per dag in plaats van drie, en er kwam een nieuw lief hondje. Met het hondje verhuisde hij naar een kleinere kamer in een ander hotel, verder uit het centrum. ’s Nachts kroop hij met Lima in bed en bad hij dat ze in Cristina zou veranderen.

Lima had continu honger en kreeg ook de helft van zijn overgebleven maaltijd. Ter compensatie dronk hij twee of drie biertjes meer, waarna hij goed sliep en geen honger meer voelde. Hij sliep niet alleen steeds beter, maar ook steeds langer. Vanaf het opstaan keek hij uit naar het moment van slapengaan. Om moe te worden liep hij lange stukken door de stad, maar dat maakte hem ook hongerig, dus dat gaf hij op.

Het werd kerst, en Hans besloot nog eens te mailen, en nog eens het adres te bezoeken. Maar hij had zich niet vergist, er stond nog steeds een postkantoor. Hij was uitgeput en deed Lima een kip, en zichzelf een fles rum kado, die hij die warme kerstdag helemaal leegdronk. Nog voor het donker was lag hij in bed en viel hij in slaap. Hij hoorde zijn hondje blaffen, werd wakker, kon niet meer overeind komen en stierf.

top

Op alle teksten rust copyright