EEN BROER ONDER BROERS
MAHADIA
DE DAME MET HET PONTJE
DE MAN MET HET HONDJE
EEN BROER ONDER BROERS (vervolg op DE MAN MET HET HONDJE )
I
Na wat zijn broer Hans was overkomen – van een uitzichtloos
huwelijk in een fatale affaire beland en van Hollandse sleur in een Peruviaans
baarhuis – was Jaap van Trees schuwheid
alleen maar toegenomen. De enigen die hem nog na stonden waren zijn droeve
moeder en schoonzus. Het had er even op geleken dat ze gedrieën een gezin
zouden worden toen Jaap een huwelijk met Hans’ weduwe overwoog. Het was er niet
van gekomen, want niemand zag het nut: ze aten al samen, ze wandelden veel, ze
volgden hun series op tv en soms keken ze elkaar aan met Hans in hun ogen.
Hoewel de politie Alie geïnformeerd had over de
omstandigheden van Hans’ dood sprak zij daar nooit over. Ze nam de feiten in
zich op en leefde verder. Ze was verdrietig, zeker, maar ze kapselde verdriet
in haar dagelijks leven in, en wat je niet doodt maakt je sterker. Ze was
sterker gebleken dan Hans, zoals ze altijd al vermoed had. Moeder en Jaap, haar
naaste vrienden, had ze nooit de volledige waarheid verteld omdat ze gespaard
moesten blijven, omdat ze Hans als die trouwe, nijvere zoon en broer moesten herdenken - ze had ook graag dat er in die termen over
hem gesproken werd. ‘Hans zou nu hebben staan afwassen’, merkte moeder dan op
en Alie miste de liefde van haar leven.
Pas toen in de sensatiepers reconstructies van Hans’ Latijnse
lijdensweg verschenen – veel later pas, en overal tegelijk - besefte Jaap voor
het eerst wat een romantische dood zijn broer gestorven was en – in contrast –
wat een lusteloos leven hij zelf leidde. Hij probeerde dit benauwende gevoel te
delen met zijn twee vriendinnen, maar zij zagen het nette leven als een verdienste
en als voorwaarde voor een rustig bestaan. Had de dwaalleer niet tot broeders
dood geleid?
Jaap was arbeidsongeschikt en schoffelde de tuintjes van
bejaarden. Dit werk had hij niet kunnen missen, want hij voelde zich er jong en
sterk door. ’s Zomers droeg hij mouwloze hemden en keek hij bewonderend naar
zijn armen wanneer hij een spade in de aarde stak. Groepjes dames die voor hun
aanleunwoningen koffie dronken bewonderden mee. Zijn zelfvertrouwen was elke
dag toegenomen en op een uitzonderlijk mooie juliavond kocht hij bij de
supermarkt een krat bier die hij met een hand boven de kassa uittilde om de
kassière van dienst te zijn – de kassière die al wekenlang erg vriendelijk naar hem lachte. ‘Als je ook een flesje wil?’ zei
hij, waarop zij hem recht aankeek, maar niets antwoordde. Jaap liet de krat uit
zijn handen vallen. ’s Winkels aandacht concentreerde zich op het tafereel. Het
meisje: ‘Laat u er wel eentje heel dan?’
Hij kreeg steeds meer de pest in over zijn leven en droomde ’s avonds aan een borrel weg bij de
glansrijke ondergang van zijn broer, en hoe meer hij droomde, hoe meer hij hem ging
zien als een romantische martelaar, en waar journalisten gefocust hadden op de
mislukking, concentreerde Jaap zich op het maar net misgelopen succes. Die
Cristina, de femme fatale die de levenswandel van Hans had omgeleid en
ingekort, zou zij ook verdriet hebben? En
zo diende zich een voorwendsel aan om contact met haar te zoeken. Zijn broer
had haar naam immers op zijn lippen gehad toen hij stierf, hadden de kranten
geschreven!
Niemand had na Hans’ dood zijn e-mails willen lezen – uit
gene, maar vooral uit vrees voor wat erin zou kunnen staan. Alie zou zich weer
de falende echtgenote voelen, terwijl ze met haar verstand, op basis van
feiten, wist dat Cristina Hans bepaald niet méér geluk gebracht had, dat hij
een dodelijke vergissing had gemaakt, en dat de geschiedenis, zo gezegd, aan
haar kant stond. Jaap echter had zich nu resoluut voorgenomen de Peruviaanse
verleidster te benaderen en kon van Alie de benodigde wachtwoorden niet
loskrijgen, maar van een betrokken journalist – die het volgende verhaal al aan
zag komen - maar al te snel.
Voor Cristina voelde hij niets dan nieuwsgierigheid. Hij was
niet boos, hij was niet begerig, hij was slechts benieuwd. In zijn
vrijgezellenfantasie (vooruit, hij was een beetje begerig misschien, zoals een
muis uit z’n holletje kruipt om een kat te begluren) was ze voluit
Zuid-Amerikaans: donker- en langharig, volbeboezemd, luidruchtig,
zelfverzekerd, brutaal – kortom alles waar hij doorgaans voor zou vluchten. Het
vreemde was dat hij van zijn broer nooit maar iets gehoord had over Cristina.
Hij had haar bestaan, zo bleek, alleen een buurman toevertrouwd, die er geen
woord van geloofd had maar op de begrafenis al twijfels kreeg en na de
Onthullingen een bos bloemen op het graf was gaan leggen – en verder moest Jaap
zijn beeld baseren op wat hij in de kranten las.
Cristina kreeg een mail, en zo lang als ze Hans in isolement
op zijn hotelkamer had laten zitten, zo voortvarend stuurde ze broer Jaap haar
antwoord. Ja, ze had ervan gehoord – er was een tv-ploeg uit Nederland gekomen
die ze op de stoep had laten staan – ja, ze mist Hans net zo erg, ze had zich
erg aan hem gehecht, en, dit ongevraagd, ze was heel blij dat ze nu met zijn
broer in contact stond over wie ze, dit gelogen, veel gehoord had. Jaap schreef
als een neutrino nieuwe mails en kwam met Cristina snel op intiemer voet. Net
als zijn broer omzag hij haar tekorten en viel hij voor haar uitstraling.
Hij vertelde niemand van zijn correspondentie, maar Alie - ervaren
op dit terrein - kon het raden. Venijniger dan ooit zei ze tijdens een
wandeling: ‘Een romantische dood… Behalve romantiek, Jaap, betekent dat ook dood!’ –‘Ik ben al heel m’n leven zo
goed als dood’, dacht hij dramatisch, maar hij knikte.
II
In plaats van twee waren er nu drie vrouwen in Jaaps leven –
een nooit vermoede overvloed. Er waren zijn moeder en schoonzus, met wie hij
het gemis van Hans deelde, en vele middaguurtjes, en er was zijn Latijnse Cristina,
die moeder en Alie tot wanhoop dreef. Ze wanhoopten over de blindheid die Jaap
overkomen was – de vrouw nota bene die zijn broer uit zijn dorp naar Lima
gelokt had, naar de morsige straten van Lima – naar een eenzaam doodsbed… Maar
die vrouw – dat had Jaap toch goed begrepen? – had Hans niet eens ontmoet. Hans
had zich mager gevast en dood gedronken – niet omdat hij Cristina had, maar
omdat hij haar níét had, en de gedachte aan Alie had hem er niet van
weerhouden. Hij was in het dorp en in de landelijke kranten neergezet als een
trieste man die het in zijn midlifecrisis niet eens gelukt was overspel te
plegen, maar Jaap begon in te zien dat Hans juist moedig was: hij was het dorp
uit gereden, de gemeentegrens over, parkeerde bij de luchthaven, nam een
vliegtuig, landde in Peru en zocht naar spanning, vernieuwing en bevrediging.
Hij vond verveling en teleurstelling en had bitter terug kunnen komen, maar
aanvaardde hoe het was – hoe kennelijk zijn hele leven was. Hij verkoos een
beneveld einde boven een helder, hopeloos leven. Alie was laf omdat ze de
waarheid niet onder ogen wilde zien, Cristina was laf omdat ze zich geld liet
sturen maar de gever niet wilde ontmoeten, en de grootste lafaard was Jaap
zelf, die vluchtte in conventies – hij had godbetert die antivrouw van een Alie
willen trouwen – als een leproos in een kolonie. Maar het roer kon nog om: hij
wilde een leproos zijn en zijn wonden tonen op straat en lachen als hij
bespuugd werd, indachtig zijn broer, die had durven breken met het leven. Liever
nog: hij wilde het leven leiden dat zijn broer voor ogen had gestaan.
Hij hoefde niemand te misleiden of bedriegen en kondigde
zijn vertrek naar Lima aan. ‘Een gewaarschuwd mens…’ sprak zijn moeder dreigend
en even zag hij de gammele, rotte brug voor zich met het bordje: Pas op, één
persoon tegelijk. Hij stak toch over.
Omdat hij niet dezelfde fouten wilde maken die zijn broer
gekneveld hadden had hij voor vertrek een goedkoop hostel gereserveerd en
Cristina’s adres laten verifiëren. Ze had hem bezworen dat ze hem wilde zien en
dat Rodrigo bij haar weg was. Ook had ze hem een taxi aanbevolen die niet duur
was en haar huis kon vinden. Gronden tot wantrouwen had hij weggeredeneerd, hoezeer
moeder en Alie ook probeerden hem bij zinnen te brengen. Ze konden nog slechts
slapen bij de veronderstelling dat ook twee ezels zich in ’t gemeen niet stoten
aan dezelfde steen.
Een trapwagen werd op de Boeing aangesloten en Jaap daalde af
in de tropische hitte. Zoals in alle nare landen stonden er militairen op het
platform. Hij liep in een slang zwetende reizigers naar de aankomsthal en zag
zijn koffer voorbij rijden. Hij begon zijn avontuur dus fortuinlijker dan zijn
broer en een half uur later stond hij aan de Peru-kant van de douane. Een taxi
bracht hem vlug, gekoeld en comfortabel naar zijn hostel en terwijl volgens de
wetten van tragedie deze meevallers verdisconteerd moeten worden, trof hij geen
zwelgende Duitser aan de bar, maar een stel vrolijke Rotterdamse meisjes die
van hun laatste soles af moesten en Jaap mee lieten delen in de alcoholische revenu.
‘Wat brengt je in Lima?’ –‘Zaken…’ Daar had hij het bij kunnen laten, maar:
‘Dingen… Vrouwen…’ Een accurater antwoord had hij niet voorhanden, want waar
kwam hij eigenlijk voor? Hij kwam om zichzelf te bewijzen dat hij geen lafaard
was, dat hij het onbekende niet vreesde, dat hij geen boer was onder boeren,
maar een broer onder broers. De meisjes snapten het wel: ze hadden vaker zulke
reizigers gezien.
III
De volgende ochtend, op weg naar Cristina, begreep hij
waarom de taxi zo goedkoop was: op tien minuten van zijn hostel stapten nog
twee mannen in. Hij vroeg of zij ook in Independencia moesten zijn. Nee, zij
hadden andere plannen, ze wilden naar een pinautomaat. De portieren schoten op
slot, een vuurwapen kwam tevoorschijn. De mannen hoefden geen agressie te tonen
om Jaap te doen trillen van angst. Een stekende kou trok langs zijn
ruggengraat, zijn hart bonsde en een stompzinnig, trekkend lachje verscheen op
zijn gezicht. Ze reden naar een bank en vertelden Jaap de daglimiet op te
nemen. ‘Vlucht niet sein niet schreeuw niet!’ Maar die waarschuwing was
overbodig, want Jaap zag voor zich hoe hij wegrennen zou en in zijn hielen
geschoten werd, hoe hij zwaaide naar een employee en zijn hand doorzeefd kreeg,
hoe hij zijn mond opende om te schreeuwen en.. . en hij besefte dat zijn geld
hem minder waard was dan hiel, hand en gehemelte. De bank waardeerde zijn vege
lijf op 1500 soles. Hij gaf de mannen zijn geld en was vastbesloten een lift af
te slaan – maar het verbaasde hem zelf hoe weinig het pistool hoefde aan te
dringen of hij stapte alweer in. Ze maken me dood, dacht hij, ze maken me
godverdomme dood. Anderhalve dag heb ik het uitgehouden! Ik heb meer geld,
morgen heb ik meer geld! Hij huilde het uit: soles, más soles, mañana! De
afpersers dankten hem omstandig voor zijn meedenkendheid, zijn hulpvaardigheid.
Ofwel: ze minachtten hem om zijn lafheid. De man links van hem, een dikke, donkere,
stinkende man in een blauw-geblokt, bruin-bevlekt hemd sloeg hem de kolf van
het pistool in zijn gezicht. De chauffeur schold: doe rustig, straks zeikt-ie
m’n bekleding onder! Goddank verstond Jaap dat niet, want het zou de druppel
zijn geweest die zijn blaas deed overlopen.
Het draaiboek was al
vooruit gelopen op zijn toeschietelijkheid. De taxi stopte voor een vies-grijs,
beklad, bemost gebouw. ‘We hebben een kamer voor je gehuurd: ons kado aan jou!
Dit is je nieuwe hotel. Morgenochtend om negen uur gaan we weer een ritje
maken. En for your information: we weten waar je liefje woont, ze rekent op je
medewerking... Tu Cristina…’ En hij begreep: geen trucs, geen tranen, geen
trammelant. Dat hij ook haar nog mee moest slepen in dit drama! Hij zou haar
nooit meer onder ogen durven komen...
Elf dagen op rij, op één woensdag na – maar hij durfde niet
te vluchten – werd hij opgehaald om geld op te nemen en af te staan. De
twaalfde dag was het op. Hij werd ruw terug de auto in gesleurd, bespuugd en op
het vliegveld gedropt. De mannen hadden besloten dat hier in Lima niets meer te
zoeken had. Had hij een retourticket gehad, dan was het hierbij gebleven, dan was
hij naar huis gegaan en had hij verteld dat het zo heerlijk was geweest, dat
hij nu wist wat passie was, dat hij nooit meer anders wilde, maar vooral ook
nooit meer terug omdat de herinnering al voldoende was. Hij zou heggen knippen,
stoepen vegen, ramen lappen en met Hans’ fatalisme en Alies zwijgzaamheid dóórleven,
zoals hij altijd geleefd had. Hij had het in elk geval geprobeerd, hij had voor
één keer het roer omgegooid, om te ontdekken dat rechtdoor de juiste koers was.
IV
Dit alles vertelde een uitgeputte, moedeloze Jaap me in een kroeg in Lima, waar hij ’s ochtends de krukken op de bar zette, de voer dweilde en op zolder sliep. We spraken als twee Hollanders alleen, begrepen elkaars leed. Ik stuur u dit relaas als een schreeuw om aandacht – ik geef het toe! Jaap is er niet meer – ik weet niet waar hij wel is – ik ben op mezelf aangewezen, en op God, die nooit naar me omgekeken heeft. Ik put hoop uit Cristina, met wie ik nu soms mail, maar die te druk is om me te ontmoeten. Ze heeft drie banen, ik wou dat ik haar geld kon sturen, maar heb zelf niets. Help me, hoed me, haal me hier weg!
top
Toen ik nog heel jong was, en onaangetast door enige notie van politiek, wilde ik vriendschap sluiten met Mahadia, mijn zwarte
klasgenote die nog niet zo lang in Nederland woonde. Niet alleen haar huidskleur was nieuw op school, ook haar geloof - ze was
moslim en droeg een hoofddoek. Een snelle beheersing van het Nederlands weerhield haar er niet van zich uit te drukken in
norsheid en agressie. Dit geweld - soms blééf ze maar schoppen, als antwoord op een onschuldige groet - nam me voor haar in:
het was het logische en tragische gevolg van een oorlogstrauma, zoals de meester ons verteld had.
Veel kinderen hadden meer afkeer van het ongewone dan belangstelling voor het exotische, dus was Mahadia in de pauzes aan
mij overgeleverd, en dan zaten we in vrede naast elkaar op een boomstronk op het schoolplein. Mahadia vertelde, met de
typische onomwondenheid van een kind, over de oorlog in haar vaderland. Niet over strategieën en belangen, maar over schoten
en doden, en over haar zusjes die achter waren gebleven. Ze vertelde over haar geloof en haar hoofddoek, die me vervulde van
respect en van nieuwsgierigheid naar wat eronder schuil ging. Ze vertelde over haar eerste verblijfplaats in Nederland, ‘waar geen
Nederlandse kinderen wonen’. Toen Mahadia jarig was trok ik uit een atlas de plattegrond van Somalië over en deed ik haar die
tekening kado. Het meisje ontstak daarop in woede. Ik was even verontwaardigd, maar al snel begripvol - een gevolg immers van
het trauma. De meester zei nog: ze heeft het niet als Somalië herkend. Hoe zonderling Mahadia zich ook gedroeg, mijn sympathie
was onverwoestbaar en bijna dagelijks voerden we ernstige gesprekken.
Op werkweek stond een groep jongens door het sleutelgat van de meisjesslaapzaal te gluren. Ik wilde doorlopen, wellevend als ik
was, maar kon mijn nieuwsgierigheid toch niet bedwingen. Wat was er te zien? Michelle in haar bh? Ik wachtte mijn beurt af en
keek. Mahadia kamde haar lange zwarte haren. Vanaf die dag hebben we geen woord meer gewisseld en als ze me schopte, dan
schopte ik terug.
DE DAME MET HET PONTJE
Op het dak van de stuurhut landden soms aalscholvers. Door het dunne plaatwerk heen hoorde de dame met het pontje dan
vissen gefileerd worden. Elke vrijdagavond na de laatste overzet moest ze een roestig laddertje op om veren en graten weg
te vegen en vastgekoekte vissenogen af te krabben. Vervolgens nam ze een ruwe borstel en boende ze mosseltjes en algen
van de rijplank. Om de week controleerde ze alle reddingsboeien en -lijnen, ontstopte ze de pomp, die het kanaal moest
buitenhouden, en maandelijks herlas ze het evacuatieprotocol en smeerde ze de slagboom. Als ze de burgemeester aan boord
had – en dat gebeurde nogal eens – kwam ze hem begroeten en stond ze hem niet toe te betalen. Zijn vrouw, assistent en
wethouders moesten wel gewoon hun veertig cent voldoen. Ze kon niet bezig blijven. ‘Straks willen al uw onderdanen ook nog
gratis’, zei ze. De burgemeester knikte begrijpend. ‘Daar veeg ik de poep niet voor van m’n dak.’ De burgemeester zag het probleem.
In het voorjaar zag ze futen baltsen, koeten fitten, rallen jagen, zwanen blazen, witvis vluchten, en dat was schitterend, elk jaar
opnieuw. Ze zag ook ratten zwemmen met pulletjes in hun bek en water donker kleuren waar een snoekbaars toegeslagen had. ‘s
Zomers mengden de mensen zich in het kanaalsverkeer, en die mensen letten slecht op. Soms ontweek ze ternauwernood een
plezierjacht en eenmaal had ze bijna een zwemmer overvaren. In de herfst regende het altijd, en ’s winters was ze naast
vervoerder ook ijsbreker. (IJs was haar grootste concurrent.)
Er waren opvarenden die geen kleingeld hadden en terug wilden van vijftig, er waren pubers die net na vertrek nog mee wilden
varen, of vlak voor aankomst aan land springen, en tussen wal en schip kwamen, wat in het eerste geval hinderlijk, en in het
tweede gevaarlijk was, er waren chagrijnige mensen met haast, er waren mensen chagrijnig uit principe, er waren opdringerige
mensen
op rustige middaguren, er waren mensen die drie of vier keer heen en
weer voeren, achtereen, meestal uit de Randstad,
er waren dagen dat de bonnenboekjes op waren en mensen niet meer
betaalden (‘dat koopt de baas niet’), er waren kortom
allerlei
bijkomstigheden die ze graag zou missen, maar het meest van alles verafschuwde ze de hoofdzaak: de overkant, steeds weer die
andere overkant.
Nu was ze niet rebels van aard en had ze thuis een poes te voeden, anders was wat gebeurde al jaren eerder gebeurd. Op een
herfstdag (inderdaad, het regende) legde ze de volle pont stil tussen de overkanten. Ze keek om zich heen, zag wat ze zag en nam
een besluit: ze zette de pomp om. Vanwege de zware lading – vier auto’s, twintig man en een notabele – werd snel water gemaakt.
De pont begon te kantelen, fietsen vielen om, passagiers grepen de reling en beseften dat ze zonken. De dame met het pontje
sneed haar polsen door, wierp zich te water en zwom voor haar dood.
DE MAN MET HET HONDJE
Een
lijkwagen rijdt luid toeterend over een druk kruispunt in Lima, Peru. De
chauffeur stuurt en claxonneert met één hand en houdt met de andere de kist
tegen, die is begonnen te schuiven door het geringe gewicht van Hans van Tree,
die erin ligt.
Beide partners zochten hun heil op internet.
Alie borduurde honden van alle rassen op truien en sokken en verkocht die via
marktplaats. Hiermee verdiende ze geld dat ze nergens aan uitgaf. Hans vond
zijn weg naar een andere markt: die van de internationale liefde. Hij stak zijn
smartengeld in premium
lidmaatschappen en kwam in contact met de mooiste vrouwen wereldwijd, met wie
hij vaak zelfs interesses deelde. Zo was er Aung Li, die net als hij van muziek
hield, en Carlita, die ook graag goede wijn dronk. Met Innocence haalde hij herinneringen
op aan wijlen hun beider hondjes, maar het meest was hij weg van Cristina, een
Peruviaanse met wie hij niets gemeen had dan een ongelukkig huwelijk. Cristina
was eind twintig (hij eind vijftig) en uitgekeken op haar Rodri, die al hun
geld opdronk en hun meisjes sloeg.
Op alle teksten rust copyright