h e s s a y s h

RESPECT VOOR NAEMA TAHIR!
PERSVRIJHEID
REIZEN IN KOREA
DE KRANT EN IK
ETEN IN CHINA
BOELGAKOV VERTAALD
LEES MAAR, ER STAAT NIET WAT ER STAAT

RESPECT VOOR NAEMA TAHIR!

Naema Tahir is een mooie vrouw. Maar dat is niet het enige! Ze heeft romans geschreven, is getrouwd met een gespierde professor, is Zomergast geweest en heeft een column in het prestigieuze programma-met-inhoud Buitenhof. Ze is dus een vooraanstaand Nederlands intellectueel, en dat is knap als je bedenkt dat ze uit Slough komt – bekend van de Britse 'mockumentary' The Office.

  Naema debuteerde met het boek 'Een moslima ontsluiert' – ik neem aan geen taalfout – waarin ze 'op zoek gaat naar de mens in de moslim'. Later kwamen 'Kostbaar bezit', 'Eenzaam heden' en 'Bruid van de dood' – om een idee te geven van de literaire smaak van deze dame.

  Twee weken terug nam ze het standpunt in dat politici hun eigen criticasters moeten mogen uitzoeken, onder bijval van haar stompzinnige man (niets ten nadele van gewichtheffers!) die alle televisiecamera's van het Binnenhof wil weren. (En, het is een feit, de aanwezigheid van Pownews' camera belemmerde Kinneging nogal in het zichzelf-zijn – hij moest steeds met één vuist de lens afwenden.)

  Nu is het op zichzelf te prijzen dat een columnist een verrassend standpunt inneemt en voor iemand in Naema's positie is saaiheid waarschijnlijk funester dan domheid. Ik was hoe dan ook nogal teleurgesteld dat ze vanochtend in beide bleek uit te steken, en ook nog op honingzoete toon. Haar betoog was ongeveer zo:

'Liberalen vinden dat je alles moet kunnen doen als consenting adults [een spoortje Slough] wanneer derden daar geen last van ondervinden. Daarom vinden liberalen dat je drugs mag gebruiken, als prostituee je geld mag verdienen en een einde aan je leven mag maken als je het zat bent. Toch zouden liberalen niet willen dat hun eigen dochters drugs gebruiken, zich als hoer verhuren en voor de trein springen. Daarom moeten we respect hebben voor elkaars heilige boeken, of het nu de Bijbel of de Koran betreft.'

  Ik heb geen verstand van argumentatieleer, maar het verkeerd voorstellen van andermans standpunten en die vervolgens tegenspreken lijkt me foul play (pardon). Liberalen vinden uiteraard dat de Staat zich niet mag bemoeien met drugs, seks en euthanasie. Ik vind dat tot op zekere hoogte ook, maar toch hoop ik dat pakweg mijn zusje zich van zulke zaken verre houdt. Het is niet hypocriet om anderen toe te staan wat je zelf laat liggen – dat lijkt me juist heel ruimhartig.

  Haar tweede standpunt (en vermoedelijk was er een link met het eerste, maar of zij of ik ben die vergeten), dat je respect moet hebben voor elkaars heilige boeken, lijkt me een open deur. Ik hoop alleen dat de mens in de moslima ook vindt dat respect voor elkaars leven groter moet zijn, want met dit statement op dit moment geeft zij de indruk begrip te hebben voor de aanslagen die volgden op de vondst van enkele Korans bij het afval van Amerikaanse militairen in Afghanistan.

  Mijn 21ste-eeuwse fatsoen werkt dus zo: als je bij mij thuis een boek van Milan Kundera uit de kast neemt en bij het vuilnis gooit dan schop ik je eruit, maar ik blaas je niet op.

PERSVRIJHEID

Persvrijheid is een groot goed omdat de media als enige effectief de macht kunnen controleren en confronteren. Het is zelfs een grondrecht: 'niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren' en 'er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisie-uitzending'. Los van alle bij wet te stellen beperkingen is van belang op te merken dat het hier gaat om een grondrecht met zogenaamde 'verticale werking'. Dat wil zeggen dat het recht de macht van de overheid ten opzichte van haar burgers inperkt. Personen onderling kunnen zich niet op dit recht beroepen. Een journalist van een bedrijfskrant kan gecensureerd worden door de directie, een geïnterviewde mag eisen een stuk in te zien voor publicatie. Ook is niemand verplicht mee te werken aan uitgaves en uitzendingen - en dáár dreigt onder invloed van moderne/brutale media een misverstand te ontstaan.

 

Een bedrijf in opspraak, een rechter, een minister – zodra ze weigeren de media te woord te staan roepen sommige journalisten 'en dat noemen ze persvrijheid!'. Het PowNews wijdde onlangs een item aan de aanwezigheid van andere journalisten in Lech. Sommige cameralieden weigerden te reageren en wilden niet gefilmd worden. Dat is hun goed recht, maar de verslaggeefster beklaagde zich verontwaardigd over het gebrek aan persvrijheid in dit land (welk land daar ook mee bedoeld werd). Het recht te zwijgen is net zo'n fundamenteel onderdeel van de vrijheid van meningsuiting als het recht te spreken en te publiceren. De rol van hoeder van de democratie stijgt sommige journalisten nog wel eens naar het hoofd, en programmamakers die journalistje spelen nemen die karakterfout over. Daarbij dienen veel journalisten veeleer een commercieel dan een ideëel doel, en daaraan hoeft zeker niemand belangeloos mee te werken. 

 

De rechtsfilosoof Andres Kinneging stelde gisteren in Pauw & Witteman voor om niet-inhoudelijk opererende journalisten te weren van het Binnenhof. Zijn partner Naema Tahir deed daarbovenop de ongelukkige suggestie de politiek te laten bepalen welke verslaggevers wel en niet welkom zijn. Dat lijkt me bij uitstek een schending van de persvrijheid.

Een journalist negeren, de deur wijzen of wegsturen daarentegen is volstrekt toelaatbaar en in sommige gevallen aan te bevelen. Iemand die de publiciteit zoekt verspeelt daarmee nog niet zijn recht op privacy. Alleen zwaarwegende belangen (zwaarder dan het ego van een journalist) rechtvaardigen dat iemand ongevraagd gefilmd en ondervraagd wordt in zijn huis of op zijn stoep.

En dat Kinneging een man bedreigt die zijn acht maanden zwangere vriendin in haar eigen huis wil lastig vallen, daarvoor heb ik niets dan begrip.  

REIZEN IN KOREA

Korea is een hypermodern ouderwets land. Het Volksmuseum in Seoul leert ons dat Koreanen 'in tegenstelling tot andere volkeren de gewoonte ontwikkeld hebben op de grond te eten en te slapen'. Die mate van ontwikkeling is niet illustratief voor het volk: anders dan Chinezen hebben Koreanen zich bijvoorbeeld aangewend rijst met een lepel te eten – een eindeloos veel geschikter instrument dan de stokjes waarmee Chinezen rijst uit een kommetje in hun mond schuiven. Het mes echter heeft zijn weg uit de keuken naar de tafel nog niet gevonden: wie kleinere hapjes wil vrage een schaar.

Uiteraard heeft dit alles met traditie te maken en niets met achterlijkheid: etiquette is er, net als in heel Azië, van het grootste belang. Bij de douane werd mijn vader uit de rij gehaald en naar zijn leeftijd gevraagd. Zijn 58 jaar gaf recht op een plek in de kortere seniorenrij. (Onnodig te zeggen dat ik er alsnog veel eerder doorheen was.) In Korea vraagt niemand direct hoe het gaat. Eerst moet door vragen achterhaald worden hoe oud of hooggeplaatst de gesprekspartner is. Informeler, maar toch niet opdringerig kan men vragen: hé, heb je nog rijst gegeten? Fooi schijnt een belediging te zijn (wat Nederlandse reizigers zich geen twee keer laten zeggen). Lachen naar vreemden doe je niet (schuldig), als je ergens binnenkomt trek je je schoenen uit (in verband met dat eten en slapen op de vloer). Wat in een Nederlands restaurant als uiterst onopgevoed zou gelden: je jas aanhouden tijdens het eten, is in het bevroren Seoul volstrekt normaal. Nederlanders willen buiten in de warmte zitten, Koreanen accepteren binnen in de kou. En restaurants van standing zijn dan maar matig verwarmd, de meeste volksere tentjes moeten teren op de warmte van het fornuis. (Het woord 'tentjes' zou ik niet gebruiken als deze gelegenheden meer waren dan een zeil over enkele stokken gespannen.) In zo'n tentje dus zit je op plastic stoeltjes aan een bar en wordt onder je ogen een hoogzwangere vis in de frituur gegooid opdat je haar drooggekookt kuit kunt eten. Daarbij drink je dan thee met sesamsmaak, bier uit een flesje met wasmiddeletiket (wat misschien ook de lokale verkrijgbaarheid van Mountain Dew verklaart) of zeven glaasjes soju (wodka). Bij elke maaltijd, maar ook als snack bij drank, wordt kimchi opgediend: in specerijen gefermenteerde kool. Een ander zou het misschien laten staan, maar ik kom uit de koolhoofdstad van Nederland en weet de dag niet meer beter te beginnen dan met een knapperig stukje kimchi. (Ik werk nog aan de receptuur.)

 

Ga je dan alleen maar naar Azië voor het eten, zal de lezer zich misschien afvragen? En ja, eerlijk gezegd, net als bij veel andere oriëntgangers speelt het bevredigen van een primaire lust een belangrijke rol in mijn keuze van bestemming. Neem Busan, de zuidelijke Koreaanse havenstad. Er zijn stranden en eilanden, maar 's winters trekt het niet meer toeristen dan Rotterdam. Toch staat er het grootste warenhuis ter wereld, met een food court waar de liefhebber van de Marokkaanse, Libanese, Sichuanese, Vietnamese, Japanse, Franse, Italiaanse, Koreaanse, Perzische, Oezbekistaanse, Duitse, Pekinese, Amerikaanse of Braziliaanse keuken voor weinig geld aan z'n trekken komt. En loop nog vijf minuten door de kou en je vindt zelfs iets beters: een groot golvend glazen gebouw dat een uitgestrekte vismarkt huisvest. Nu heb ik al eerder Aziatische vismarkten bezocht en alleen daarom verflauwde ik niet van verbazing: hoe groot moet de oceaan zijn als er elke dag in duizenden stedenzulke hoeveelheden en zo'n variatie aan vis aangeboden wordt? (Her en der werd kogelvis verkocht, wat ik ook al elders gezien heb, en wat me steeds verder richting de conclusie drijft dat dat bolle monstertje meer dan een gifmenger een Japanse pr-mythe is - een overtuiging overigens die nog niet zo diep bezonken is dat ik een hapje durfde proeven.) In deze hal koop je een vis, en die vis neem je mee naar boven, waar lokale vrouwen (anders dan de overige twee miljard vrouwen in Azië hebben vrouwen in Busan krullen) hem voor je bereiden. Die bereiding heeft niet veel meer omhanden dan een bedje munt en een badje chili, want wat uit de zee komt eet men hier rauw. Daar hebben ze natuurlijk groot gelijk in, want alle vis smaakt vers en rauw het best en de wereldwijde tonijnverwerkingsindustrie vind ik niet crimineel, maar wel een groot affront tegen de goede smaak. Het drogen van vis is nog wel alledaagse praktijk in Korea, maar ook dat zal een kwestie van traditie zijn, want zoals je kool niet meer hoeft te peperen ter conservering hoef je vis niet meer te drogen, en net als kimchi is gedroogde vis een snack voor bij ontbijt of bier geworden. Overigens is een van populairste borrelhapjes gedroogde inktvis en ik kan mijn walging daarover niet krachtig genoeg uitspreken, daarin gesteund door mijn katten. Ik neem aan dat beschaafde westerse snacks als aan een tandenstoker geregen augurk met ingewandenworst, of op uitgedroogd brood gesmeerde schimmelkaas snel zullen oprukken in Korea en heel Azië.

 

Omdat je niet de hele dag kunt eten hebben we ook andere activiteiten ondernomen. Op de eerste ochtend in Seoul werden we (tegen alle wetten van het tijdverschil) met zonsopgang wakker. Het was schitterend weer (min tien en zonnig) en we besloten te gaan hiken. Volgens de reisgidsen is hiken de collectieve lievelingshobby van alle Koreanen, en dat is absoluut waar. Het Bukhansanpark is het drukst bezochte nationaal park ter wereld, ongetwijfeld door de nabijheid van de tweede grootste stedelijke agglomeratie. Je neemt de metro naar een noordelijke buitenwijk, loopt door een straat met dertig wandel-, trek- en klimwinkels en staat plotseling in de wildernis. En het is geen Vondelpark waar we over praten! Tien minuten lopen en je ruikt alleen nog dennen, hoort spechten en ziet hangende watermassa's die in het voorjaar weer omlaag zullen stromen. Het wandelen wordt al snel rotsklimmen en tussen alle semi-professionele Koreanen vallen we op. Ik had dan wel wandelschoenen aan, maar droeg ook een lange grijze visgraatoverjas. Een Koreaan bleef staan, 'mat me met den blik' en zei lachend: hang hae tong tsji cheong pong fang ju gentleman! Maar de meesten bedienden zich van nog lokaler jargon, vaak tien keer eender herhaald, waardoor we niet wisten of we gewaarschuwd werden voor beren of alleen gecomplimenteerd met ons stijlvolle klimpak. (Als ik in Amsterdam een Koreaan zou aanspreken zou ik waarschijnlijk niet geloven dat ik hem iets duidelijk kan maken door tien keer dezelfde Nederlandse zin uit te spreken. Zou de volharding een teken van chauvinisme zijn?) Op de top van de Chaungbong aangekomen werden we voor lenzen getrokken (getrokken, terwijl wij verkleumd en hoogtevrezend ons evenwicht probeerden te bewaren) zodat de Koreaanse thuisblijvers bewezen kan worden dat hoog in de bergen van Bukhansan een onbekende beschaving leeft met wilde blonde haren, roze gezichten en lange jassen. Toen begon het te sneeuwen en daalden en glibberden we de stad weer in, die zo groot en grijs aan onze voeten had gelegen. 

 

Met de ondergrondse kom je overal in deze uitgestrekte metropool. Er zijn zestien lijnen en ruim driehonderd stations. Elke dag verplaatsen er zich miljoenen Seoulers mee, en ze houden allemaal hun mond. Het is blijkbaar etiquette om eenmaal ondergronds niets meer te zeggen. In een vol Seouls metrostel is het muisstil. Als er iemand praat is het met een hand voor de mond, om de verspreiding van geluiden en bacillen tegen te gaan. Dan opeens komt er een man met een winkelwagentje binnenrijden. Hij verkoopt messenslijpers. Ter demonstratie heeft hij een spatel vlijmscherp gemaakt (messen in de metro is een slecht idee) en snijdt hij er repen papier mee. Hij praat wat over prijs en kwaliteit en... doet zaken. Vijf mannen in pak tellen wat wons neer en kopen zijn waar. De volgende dag hetzelfde succes voor een handschoenenverkoper. Raadselachtiger fenomeen: iemand komt binnen met een stapel pamfletten. Hij groet de wagon met een buiging en legt elke zittende reiziger (opnieuw buigend) een kopietje op schoot. Enkele minuten later haalt hij ze weer op. Mogelijk was hij stomdoof en had hij wat geschreven over zijn vrouw en kinderen die in gebrek leven (hij had zijn hond al moeten eten), maar ik denk dat het geschriftje politiek van aard was. Koreanen zijn namelijk de fanatiekste democraten die je je voor kunt stellen: nergens ter wereld wordt meer gemanifesteerd, nergens is toegankelijker internet, geen land neemt zo gretig deel aan alle internationale vredesmissies en nergens wordt zoveel gevochten in het parlement...

 

Een groter contrast met Noord-Korea (zelfde volk, dramatisch anders lot) is ondenkbaar. Daar, aan de andere kant van die berg waar ik bovenop stond, ligt het meest geïsoleerde land ter wereld. Om zuiver politieke redenen is dat land gecreëerd en wordt het nog steeds gehandhaafd. Miljoenen mensen leven er in armoede, onwetendheid en angst. Het bedreigt de wereld in het algemeen en zijn zuiderburen in het bijzonder met nucleaire wapens. Toch zijn er toeristen die dit land willen bezoeken, en daar veel geld voor overhebben – geld dat in genoemde onderdrukking geïnvesteerd wordt. Onder leiding van twee 'gidsen' leg je een boeketje bij een standbeeld van een van succesvolste psychopaten die ooit geleefd hebben. Je 'raakt' in gesprek met een docent die je vertelt dat Anne Frank door de Amerikanen is vermoord. Je 'treft' vrouwen die desgevraagd de mannen zullen bewieroken die al decennia hun voedsel stelen, hun zoons doden en hun dochters verkrachten. Van deze toeristen zal misschien een enkeling in enige mate hun lot dan niet verzachten, maar het zich in elk geval aantrekken. Hij zal proberen ongezien foto's te maken, hij zal een stuk schrijven in de krant. Maar de meesten zijn gewoon een unieke ervaring rijker... Wie minder te besteden heeft maakt vanuit het Zuiden een dagtrip naar de gedemilitariseerde zone en kijkt met een verrekijker over de rivier naar het onbekende arbeidersparadijs. Ik ben daar uiteraard niet geweest, evenmin als ik zeventig jaar geleden een toeristisch uitje naar Auschwitz zou hebben gemaakt, terwijl de ovens nog brandden...

 

Midden in Seoul staat een groots museum dat de adembenemende krijgsgeschiedenis en het bittere krijgsheden van het Koreaanse schiereiland belicht. In de loop der eeuwen heeft het heel wat te lijden gehad van de veroveringszucht van met name Japan. Meerdere malen heeft het Japanse imperiale leger Korea ingenomen en alles vernield wat het tegenkwam. De laatste bevrijding, met de capitulatie van Japan in WOII, heeft het moeten kopen met het halve grondgebied, dat onder invloed van communistisch China kwam. De Koreaanse oorlog die daar snel op volgde is een pijnlijk voorbeeld van een zinloze strijd: de grens tussen Noord en Zuid heeft in drie jaar vechten overal gelegen, maar is ten slotte maar enkele kilometers verschoven. In het decennium erna hebben nog eens 300.000 Zuid-Koreanen hun leven gewaagd (waarvan 5000 verloren) op dat andere slagveld van de Koude Oorlog: Vietnam.

Maar de grootste krijgsheer uit de Koreaanse historie is natuurlijk een Nederlander, zo moest ook onze gids erkennen. Op de vriendschap der volkeren!

DE KRANT EN IK

Ik hield van nieuws en ik hield van taal, dus het was niet vreemd dat ik van kranten ging houden. Ik bewaarde verkiezingsbijlagen van het Noordhollands Dagblad, dat mijn ouders lazen, en kocht op bijzondere dagen losse kranten. Zo heb ik bijvoorbeeld nog ‘VS IN OORLOG’, de voorbarige maar accurate kop waarmee de Telegraaf op 12 september 2001 zijn voorpagina vulde.

Anderhalf jaar later vroeg en kreeg ik voor mijn verjaardag alle landelijke dagbladen van die datum. Zo vormden het Nederlands Dagblad, het Financieel Dagblad, het Reformatorisch Dagblad en het Agrarisch Dagblad, kranten die ik nog nooit in handen had gehad, de basis voor een verzameling die bij de laatste telling, op 20 juni 2006, 338 titels uit 57 landen omvatte.

Ik schreef redacties aan met de schijnheilige vaststelling dat ik hun krant graag had willen kopen voor mijn collectie, maar dat hij niet verkrijgbaar was bij de tabakszaak aan de Dorpsstraat, en hoe ik er in godsnaam aan zou moeten komen. Onveranderlijk kreeg ik dan enkele dagen later een exemplaar in de bus, plus pennen, kalenders, sleutelhangers en meer merchandise. (Op mijn bureau staat een kartonnen pennenhouder van de Times of Central Asia uit Kirgizië.) 67 Duitse kranten, van de Aachener Nachrichten tot de Wormser Zeitung, heeft de postbode moeten bezorgen - soms meer dan tien per dag, omdat ik klustermails stuurde. Een leraar die mij, dacht ik, niet graag mocht nam van een wandelvakantie in Nepal The Himalayan Times mee. Een collega van mijn vader kwam met de Kommersant aan de deur, meegebracht uit Moskou. Omdat me nooit een cent vergoeding was gevraagd besloot ik de standaardmail aan te passen: ik vroeg voortaan direct of redacties een exemplaar wilden opsturen. Dit leverde hetzelfde resultaat op, zodat de postbode op een dag verbaasd aanbelde met de Hawaii Tribune Herald, The Forest Republican, de Folha de Sao Paulo, Le Quotidien Jurassien, de Hospodarske Noviny en de Mongol News Today. Ze pasten niet allemaal in de brievenbus. Dit speelde zich af in een lange zomervakantie en als er een dag geen post kwam zat ik teleurgesteld op ons stijgertje voor me uit te staren. Op een zeker moment kreeg ik een mail terug van een Jamaicaanse redacteur: of ik soms dacht dat Jamaica een rijk land was, dat ze over de middelen beschikten om een pakketje overzee te zenden. Ik schaamde me en de verzamelwoede nam af.

Maar daarvóór hadden journalisten uit Den Haag en Haarlem me al telefonisch geïnterviewd over mijn collectie, zodat ik ook kranten verwierf waarin ik zelf het nieuws was. Een redactrice van Man Bijt Hond had het stukje in de Haagsche Courant gelezen en wilde een item maken voor haar programma. We hielden een voorgesprek waarin ze zulke domme vragen stelde (‘Je bewaart je kranten in een luikje? Wat voor luikje?’) dat ik er een einde aan maakte. Nadat zich drie journalisten en een fotograaf met mij en mijn verzameling hadden beziggehouden realiseerde ik me hoe irrelevant en onbevredigend het werken voor een krant vaak moest zijn. Dat werd nog eens bevestigd toen ik later bij de Alkmaarsche Courant werkte en de collega naast mij een hele avond bezig was rond te bellen voor een stukje over een muggenplaag op de Afsluitdijk.  Toen besloot ik definitief geen journalist te worden, hoewel ik het al een klein beetje was:

Met mijn verzameling en de schoolkrant als enige referenties had ik op een vacature voor sportverslaggever gereageerd. Op zondagen werd ik naar Door Training Sterk of Reigers Boys gestuurd, ik bekeek de wedstrijd, werd in de bestuurskamer gefêteerd, schreef een verslagje en kreeg veertig euro. Niemand op school had zo’n aardig bijbaantje. 
Als ik klaar was met mijn verslag moest ik, voor tien euro per uur, éénkolommers schrijven over wedstrijden waar geen medewerker heen gestuurd was. Dit deed je door of de trainers van beide partijen te bellen, of, wanneer slechts een van de ploegen uit de regio Alkmaar kwam, alleen hun trainer. Diens commentaar was dan: ‘we hebben terecht gewonnen’ of ‘we hebben onterecht verloren’. Er was maar een trainer die afweek van dit stramien en consequent verklaarde terecht te hebben verloren of onterecht te hebben gewonnen.  Die man belde ik graag. Zo heb ik heel wat imaginaire wedstrijden gezien. Eén keer werd er bij de krant geklaagd over mijn stuk ‘DTS weerstaat Helderse hamer’.

Toen ik ging studeren zegde ik het baantje op, met vage plannen om over te stappen naar Het Parool. Maar ik kon geen woonruimte vinden en bleef langer dan verwacht thuis wonen, terwijl zondagavond de slechtst denkbare werktijd bleek. Voor de site van NRC Next, dat me via de schoolkrant opgepikt had, schreef ik nog een aantal columns over eerst de eindexamens, vervolgens het studentenleven, maar toen men erachter kwam dat ik helemaal geen studentenleven leidde, kwam ook daar een einde aan.

Ondanks desillusies, en hoewel veel titels in mijn verzameling na vijf jaar al historisch zijn, lees ik nog elke ochtend De Volkskrant bij het ontbijt, en op reis zoek ik dagelijks een kiosk om Le Monde of The Times te kunnen kopen: ik zal altijd een krantenjongen blijven. 

Ps. Toen ik dit stuk naar de Volkskrant stuurde kreeg ik als antwoord: 'Voor plaatsing op de opiniepagina is uw bijdrage niet geschikt. Ik heb het doorgestuurd naar mijn collega Media met de suggestie u te interviewen. Hopelijk neemt het contact met u op.' Helaas werd zo'n ironische gang van zaken me niet gegund...


ETEN IN CHINA

- I -

‘Hello my friends! Can I help you?’ Er stond een Chinees aan onze tafel met strak achterover gekamd haar. Hij sprak hees en gerekt. Hij kwam als geroepen, want het voltallig bedienend personeel stond verwachtingsvol om ons heen, zonder aan te dringen, maar klaar om de bestelling op te nemen. Er was een handig plaatjesmenu, maar we hadden keus uit meer dan honderd gerechten, die op het eerste gezicht allemaal veel op elkaar leken, in elk geval allemaal dezelfde vaag-bruine kleur hadden, en omdat we er niet voor voelden dierengeluiden na te doen  was het moeilijk vast te stellen in welke schotel rund zat, varken, kip, ingewanden of hond. ‘Is this pork?’ ‘Yes! Yes!’ ‘So it’s no beef?’ ‘Yes!’ ‘So it might be chicken then?’ ‘Yes!’ We kwamen dus niet verder dan Tsing Tao Beer, hoewel van die drie woorden alleen het laatste verstaan werd. Er kwamen grote flessen (0,6 liter) en plastic tweesloks bekertjes.

Maar nu hadden we Richard Lau, een wijnhandelaar die in Australië had gestudeerd en in Amsterdam had gewoond, ‘close to Heineken’. Hij bestelde gefrituurde aubergine, gebakken garnalen en een soort beef teriyaki. Ook liet hij een fles lokaal gedestilleerd komen om met ons te toosten.  Hij bleef bij ons tot de gerechten kwamen (binnen vijf minuten), steeds weer bier bijschenkend. De bodem van de bekertjes mocht niet in zicht komen, maar dat dreigde na elke slok te gebeuren. Toen Richard naar zijn tafel terugging bleef een bediende bij ons staan om ons voortdurend van thee en bier te voorzien, hoe de theepot en de bierflesjes op tafel stonden. We proefden alles, en het smaakte, en al snel was Richard terug, nu met een van zijn tafelgenoten. ‘My friends. Let me introduce you to my friend here. He works at the traffic department, so if you need anything, anything at all, just ask him.’ We schudden handen en brachten een toost uit. De verkeersambtenaar was duidelijk niet op z’n gemak. Vijf minuten later stond Lau er weer. ‘My friends. Let me give you this. I’m in the wine business. Also, I organize tourist trips. So if you want to dive, to cycle, to be driven around… Just let me know!’ We kregen een kaartje en er werd geklonken. ‘I’m a businessman you know!’

Businessman is in dit arme deel van China – we waren op het zuidelijke, tropische eiland Hainan – ongetwijfeld een begerenswaardige positie, en Richard beheerste vanaf zijn grote, ronde tafel in het midden van de eetzaal het hele restaurant. Een ander westers gezelschap was binnen gekomen en het duurde niet lang of Richard had kennis gemaakt. ‘I’m a businessman from Australia! How do you like my food?’ Terloops kwam hij nog eens op ons drinken. Aan eten kwam hij nauwelijks toe, want aan tafel zat hij bijna nooit, nu hij diverse vriendschappen moest onderhouden. Ook aan de andere tafel werden zakenkaartjes uitgedeeld.

‘My friend,’ en hij legde een hand op mijn vaders schouder, ‘my friend, do you know this song?’, en hij zong een regel uit Sinatra’s My way. ‘Even I know that song,’ zei ik.  Dat wat precies wat hij wilde horen en hij zong het hele lied, eindigend met ‘I was a singer in Amsterdam, you know.’ We bedankten hem voor zijn gratis optreden en dronken op zijn gulheid. Om niemand achter te stellen zong hij ook voor de andere gasten. ‘I’m a singerrrr…. from Australia!’ En weer terug naar ons. We kregen Michelle te horen, dit keer, maar toen hij bij het Franse deel kwam klonk het: so-de-mo-la-la-la-la-te-bon-la-la-la-la, dus ik zong zachtjes voor: sont des mots qui vont très bien ensemble. Hij keek me verrast aan, kneep in m’n wang en zei streng en kort: ‘you’re drunk!’

 

- II -

We hadden deze zaak aan de boulevard van Sanya gekozen omdat het er modern uitzag, omdat er een plaatjesmenu was en omdat er geen groepjes halfnaakte mannen zaten te drinken, maar in dezelfde straat zaten nog talloze andere restaurants, en in de volgende, en in de volgende… Hoewel wij Chinese toeristen niet konden onderscheiden van Chinese lokalen kregen we de indruk dat Chinezen nogal vaak uit eten gaan. Het is niet voor niets dat ze allemaal een restaurant openen wanneer ze emigreren. (Ook als Chinezen zelden uit eten blijken te gaan: er zijn heel veel Chinezen, bijna anderhalf miljard.) Als een gebouw geen restaurant huisvest, dat zit er wel een groentehandel, een vismarkt of een slijterij. De handel in whisky en cognac bloeit en grote huizen als Hennessy en Johnny Walker zetten vele miljoenen om in China.

Maar laten we eens binnenlopen in een willekeurig lokaal restaurant. De inrichting is overal: grote tafels met kleine stoelen, Chinese landschapskunst of kalligrafie aan de muur, een overdaad aan jonge vrouwelijke obers in traditionelere dracht dan je op straat ziet, en natuurlijk tl-verlichting. Boven Richard Laus stamtafel bijvoorbeeld hing een tl-kroonluchter. Het ligt voor de hand Chinese restauranthouders een gebrek aan smaak toe te schrijven (in de loop van onze reis stapelde het bewijs daarvoor zich op), maar mogelijk heeft het fel-witte licht gewoon een voor de hand liggende functie: je kunt er goed in zien wat je eet. In Amsterdam is een restaurant waar je in het donker eet, wat de smaak ten goede schijnt te komen, maar in China zou ik dat niet aandurven, en voor de Chinezen zelf geldt dat misschien ook. Voor je weet wordt je koe voor hond verkocht. (Hond is van de twee de delicatesse.) Als deze verklaring juist is, is er nog steeds een probleem met smaak omdat bijna alle Chinese gerechten er tamelijk onaangenaam uitzien. De Italiaanse keuken is warm-rood met crème-wit en fris-groen, maar op een Chinees bord is alles bruin.

Van een ding kun je zeker zijn:  vis die je bestelt is vers. De restaurants aan Sanya’s boulevard hebben allemaal een muur met aquaria zoals je bij ons in dierenwinkels ziet – en daarin zwemmen niet alleen kreeften, maar tientallen soorten vis. Je kiest, de vis wordt opgevist, doodgeslagen en gewogen en tien minuten later ligt-ie op je bord met opgezette ogen en een steeltje koriander in z’n bek. Wie genoeg heeft van poon, zeebaars of pijlinktvis kan eens murene bestellen – duur, maar overal verkrijgbaar - en voor de echte levensmoede Chinees is kogelvis een optie. In Japan volgen koks een speciale opleiding voor het bereiden van kogelvis – die genoeg gif onder z’n schubben en stekels heeft om dertig man te doden - in het Westen kun je slechts bij enkele sterrenrestaurants terecht, maar op elke straathoek in China snijden ze er een voor je open. Het is een gok, maar de kans is groot dat je het overleeft wanneer je niet binnen vierentwintig uur sterft. Japanners zeggen: je bent gek als je kogelvis eet, maar je bent ook gek wanneer je het niet eet.

Ik heb een voorliefde voor vismarkten en in Macau liepen we een loods binnen met zeker honderd stands waar een enorme variatie aan schelpdieren, krabben, kreeften, kikkers en vis aangeboden werd. De zoöloog in mij genoot nog meer dan de consument, vooral omdat alle waar nog in leven was. Heremietkreeften verscholen zich in hun gevonden schelp, zeeslakken kropen rond in hun stalen biotoop, vissen, die nat bleven en ademden in een dun laagje water, spartelden en probeerden met krachtige golfbewegingen weg te komen uit hun bak – wat soms lukte, waardoor ze op de vloer belandden – kikkers wachtten met vastgebonden achterpootjes  hun noodlot af... Sommige vissen krijgen een klap op de kop, of worden onthoofd voor ze in een plastic zak met een klant mee naar huis gaan, andere sterven onderweg. De kikkers – je weet het niet – leven misschien nog uren in een keukenla.

Er is wel wat af te dingen op deze praktijk, maar ik ben vlees- en viseter, en alles wat ik zeg is hypocriet. Elke consumptievis komt ontijdig en onprettig aan zijn eind – de één op een Volendamse vissersboot onder een stapel lotgenoten, de ander door het mes van een Macauer marketenter. En zelfs vissen die door de mazen van het net ontsnappen kunnen morgen de maag van een haai binnenzwemmen, of doodgebeten worden door een zeeslang.

 

- III -

De Chinese tafelmanieren zijn – hoe zal ik het eens zeggen – anders dan bij ons. Het begint al bij het binnengaan van een restaurant. Je wacht bij de deur, en het personeel staat je aan te kijken. Na enige tijd lopen ze op je toe en je vraagt om een tafeltje. Ze kijken om zich heen alsof je vroeg: weet u ook waar China ligt. Uiteindelijk kies je zelf maar een plek. Een kleinigheid natuurlijk, maar ongemakkelijk voor wie gevoelig is voor (Nederlandse) etiquette.

Welk tafeltje je ook kiest – mes en vork zul je er niet op aantreffen. Chinezen eten, zoals bekend, alles met stokjes (behalve soep, daar hebben ze aardewerken lepeltjes voor). Vlees moet voorgesneden worden geserveerd, anders kun je er niets mee en rijst, tja, dat blijft behelpen. Om niet al te veel te knoeien wordt het bord naar het gezicht gebracht en de rijst zo ongeveer in de mond geschoven – een manier van eten die in Nederland op weinig aanmoediging zou kunnen rekenen. Van toeristen wordt verwacht dat ze ook met stokjes eten, tót ze het daadwerkelijk proberen, dan wordt er met veel gelach (uitlachen kan nooit zo onbeleefd zijn als bij ons, want het gebeurt continu) bestek gebracht. Soms is dat een valkuil, want zodra je je bestek gebruikt komt iemand aan tafel voordoen hoe stokjes werken. Er zijn volgens mij maar twee uitzonderingen op de regel dat stokjes onpraktisch zijn: bij het eten van sushi en wanneer je zoveel wilt drinken dat je een vrije hand nodig hebt om je glas vast te houden.

Een hardnekkig vooroordeel wil dat Chinezen boeren tijdens of na het eten. Niet alleen bleek deze bewering waar – ze gaat niet ver genoeg. Chinezen boeren tijdens hun eten, maar ook tijdens andermans eten - een ober die boert terwijl hij een bestelling afwacht!  Maar nog veel onsmakelijker dan dat geboer is het gerochel en gespuug. De hele dag door, vooral op straat, maar ook uit autoraampjes of in theehuizen, en ik neem aan thuis, wordt er slijm opgebracht en tegen de grond gespuugd. Je zit te eten en naast je kwat iemand op de vloer. In sommige zaken staat een emmertje naast de tafel waarin je kunt mikken. Het is dat smerige geluid, maar ook de wetenschap dat je steeds in een fluim kunt gaan staan. Aanvankelijk dacht ik dat alleen mannen het deden, en dat vrouwen het maar te accepteren hadden (ik hoopte dat ze het diep in hun hart ook onsmakelijk vonden), maar nee hoor, vrouwen doen er gewoon aan mee – ze rochelen, ze spugen, ze boeren. (De boerende ober was trouwens een vrouw.)

 Hoewel het woord appetizer wijd verspreid is en algemeen bekend onder restauranthouders en bedienend personeel weet niemand wat het betekent of welke rol het vervult in de keukens waar het woord vandaan komt – zo’n eetlust opwekkend hapje wordt op een willekeurig moment tijdens het tafelen geserveerd, namelijk – net als alle andere ‘gangen’, bijvoorbeeld rijst – wanneer de kok het klaar heeft. Er wordt geen enkele volgorde aangehouden, en ook drankjes – die vast nog even snel in de vriezer worden gelegd – hoeven niet gelijktijdig te arriveren.

Een algemeen gebruik, dat niet erg gastvrij overkomt maar een zeker nut heeft, is het achterlaten van een doorslag van de bestelling op het tafeltje. De ober die een gerecht brengt streept het af op het papiertje, zodat later geen discussie kan ontstaan over wat wel en niet besteld en gebracht is. (Behalve natuurlijk wanneer je geen Chinees kunt lezen.)

 

- IV -

In Hong Kong werden we meegenomen naar een dessertrestaurant, een restaurant waar je niets anders kunt krijgen dan toetjes, taartjes, ijs, fruit en smoothies, en dat de hele dag aanloop heeft. (Ook het woord dessert, van desservir, afruimen, is ontdaan van alle banden met zijn oorsprong.) Het interieur was Japans: simpele, strakke vormen; simpele, felle kleuren. De klanten zaten op krukjes aan lange tafels. De kaart stond vol met hoekige, kleurige, zoete gerechtjes. Mijn indruk was dat de Hong Kongers over het algemeen dol zijn op allerlei soorten pudding en gelei. Als bijgerecht kregen we vier crèmekleurige balletjes, een soort grote gnocchi die vooral ook erg naar gnocchi smaakten. Ik had groene thee-ijs in een papje van doorzichtige rijst (die eruit zag als kaviaar) met daarin drijvend zwarte blokjes kruidengelei met lichte pepersmaak. Na verkoelend ijs kwam er warm water op tafel – nog nét wat flauwer dan Chinese thee – om de bloedvaten weer te verwijden.

Onze tafelgenotes verwachtten bij alles dat we het niet zouden lusten (eerder op de dag hadden we al kool gegeten, allerlei soorten dim sum waaronder met soep gevulde dumplings, en eieren waarvan op de een of andere manier het wit hardgekookt was, maar het geel nog rauw) en geloofden er niets van als we toch genoten van onderwaterkokosnoot. (Een vrucht waarvan ik het bestaan nog niet bevestigd heb gezien.) Als we dan toch zo dapper waren, en tot alles bereid, wilden we dan misschien – of nee, zo ging het niet helemaal. De eigenaresse van het restaurant, een grote vrouw van in de vijftig, kwam bij ons en sprak gedempt Chinees met ons lokale gezelschap. Er werd wat overlegd en gelachen en toen kwam de vertaling: ‘She is afraid to look at you, but wonders if you want to try the King of Fruits: Durian.’

Met het bestaan van de doerian ben ik wel bekend, omdat ik al jaren een kartonnen verbodsbordje op mijn kamer hebt staan, gestolen uit een Thais hotel, met een doerian en een rood kruis erdoor. De Fruitkoning verspreidt kennelijk zo’n penetrante stank dat hoteliers hem niet in hun kamers willen. In veel Aziatische steden wordt doerian ook uit het openbaar vervoer geweerd. Dat wilden we dus wel eens proeven. ‘No! Don’t!’ werd er geroepen. ‘Is it like garlic?’ ‘No, worse! Worse! Worse than you can imagine. I don’t want to sit next to you anymore if you eat it.’ Ik was niet van plan me te laten chanteren en wilde het althans proeven. Er kwam een schotelje op tafel met een kleine portie doerian. Ik nam een hapje en wist in elk geval direct dat ik het nooit eerder gegeten had. Aanvankelijk smaakt het dus naar… doerian, maar het heeft de nasmaak van een salade die ik ’s zomers wel eens maak, met ui, avocado en aardbei. De intensiteit is vergelijkbaar met knoflook, maar de geur is sterker. Alle ophef rondom deze vrucht leek me wat overdreven, maar toch enigszins afgeschrikt door de voorspelde slechte adem liet ik het bij één hapje. De dame, die kennelijk had staan gluren, kwam uit de keuken gesneld en zei weer iets tegen het meisje naast me. ‘Eh, Djost, you have to finish it. Durian is very expensive, you see, this is really generous of her. She tells me that she has clients who come here especially to eat durian.’ Om niemand te schofferen at ik m’n bordje leeg, waarna het meisje me een kauwgompje gaf. Dat leek mij nou weer onbeleefd, maar in de wetenschap dat de gulle gastvrouw me toch niet aankeek stopte ik het ik m’n mond – zinloos, want steeds als ik die dag een boer liet kwam de doerianlucht opborrelen en mijn rochels kleurden oranje…


BOELGAKOV VERTAALD

 

Master i Margarita is het lievelingsboek van vele Russen, en van vele studenten Russisch. Wie het Russisch echter niet verstaat,

of niet voldoende, zoals ik, zal zich moeten verlaten op een van de Nederlandse vertalingen van De Meester en Margarita

Uitgeverij Van Oorschot verkoopt in Nederland de mooiste (en duurste) drukken van vertaalde Russische literatuur en ook 'de

Meester' is in haar Russische Bibliotheek opgenomen. De vertaling is verzorgd door Marko Fondse en Aai Prins. (Ik moet er steeds

aan herinnerd worden dat Aai een vrouw is, anders dan z'n naam doet vermoeden.) Voor 39 euro staat het in je kast, of, zoals

Fondse en Prins zouden zeggen: wisselt het van eigenaar. Want doet deze vertaling recht aan het in 1940 voltooide maar pas 

26 jaar later voor het eerst uitgegeven origineel van Michail Boelgákov?

 

Literatuur is een kunstvorm en van kunstenaars mag je een zekere originaliteit verwachten. Wie een zin schrijft als 'Jan klom in de

pen, schreef een gepeperde brief en besteeg zijn stalen ros om hem te posten' kan geen groot schrijver zijn, maar nog best een

'indrukwekkend' of 'herkenbaar' boek voortbrengen en miljonair worden. Master i Margarita wordt wereldwijd goed verkocht en is 

dus bij voorbaat verdacht. Hebben we hier te maken met literatuur, of met wat Nabokov noemt een 'Filistijns' product? 

Het boek opent met een weerbericht. Dat belooft weinig goeds. Vervolgens lezen we over 'het ondermaanse', een 'muzenzoon' en

twee 'letterdienaars'. Die Boelgakov had, kortom, ook bovenstaande zin over Jan kunnen schrijven. Zitten al die bewonderaars er

dan naast met hun oordeel? Toch het origineel er eens bij pakken...

 

Ook dat begint met het weer, alas, maar op pagina 10 lezen we dat 'Jezus als persoon nooit bestaan had op dit ondermaanse en

dat alle verhalen over zijn persoon botweg verdichtsels waren'. In het Russisch staat er botweg dat 'die Jezus, als persoon, nooit

bestaan had op deze aarde en dat alle verhalen over hem gewoon verzinsels zijn'. Dat is nogal een verschil. Boelgakov drukt zich

eenvoudig en helder uit, en dat vraagt om een passende vertaling. 

In het eerste hoofdstuk komt 24 keer het woord poet voor, dat uiteraard niets anders dan 'dichter' betekent. Marko en Aai hebben

op de vertaalschool geleerd dat het literair is om te variëren, want weer op pagina 10 wordt een 'muzenzoon' toegesproken. Nu kun 

je zoiets in het Russisch best zeggen, alleen deed Boelgakov dat niet, hij schreef gewoon poet. Een vertaler heeft zo'n keuze maar 

te volgen. In dezelfde zin komen trouwens ook 'konterfeitsels' voor. Brontekst: figurku.

Op pagina 7 heten literatory 'letterkundigen', op p. 13 'letterdienaren', op p. 16 'geletterden' en aan het eind van het hoofdstuk zijn

ze weer 'letterkundigen'. Die Boelgakov beschikt over een gevarieerd vocabulaire, denkt de Nederlandse lezer! De meest voor de 

hand liggende vertaling, het Nederlandse woord 'literator', doet volgens mij nog het meeste recht aan het origineel. Op pagina 14 

wordt het voorstel gedaan Kant met z'n godsbewijs naar een kamp te bonjouren. Hé, denkt de tweetalige lezer, hoe zou dat in het 

Russisch zijn? Bonzjurovat'? Teleurgesteld stelt hij vast dat er gewoon 'otpravit'' staat - het meest gangbare woord voor 'wegsturen'.

 

Een memorabele gebeurtenis in het derde hoofdstuk is de plotselinge dood Berlioz, die onder de tram komt. 'Rollend langs de helling

stuiterde het [donkere, ronde voorwerp] over de klinkers van de Bronnaja. Het was het afgehakte hoofd van Berlioz.' Aan deze 

katastrofa, zoals Russen een verkeersongeval noemen, wordt in het eerste hoofdstuk gerefereerd met de woorden: 'En dan komt 

de tragische ontknoping: de man die zojuist nog meende iets te bedisselen ligt plotseling star tussen zes planken en de omstanders, 

die wel inzien dat ze van hem niets zinnigs meer hoeven te verwachten, schuiven hem een crematorium in.' In het origineel ligt de 

overledene (ontslapene, zoals Aai en Marko kunnen zeggen) 'in een houten kist' en schuiven ze hem 'de oven in'. Niet alleen is 'tussen 

zes planken' een te vermijden cliché, ook heeft het een annotatie van dood en reeds begraven. En wie een 'crematorium ingeschoven

wordt' is nog niet verbrand toch? De meeste mensen verlaten een crematorium immers levend. Laatst zag ik het cliché trouwens zeer 

accuraat gebruikt in een nieuwsbericht: 'Australiër tussen zes planken door planking'.  

Het heeft altijd iets dubbels wanneer iemand het over 'Wichtigmacherei' heeft, omdat de spreker door voor dat woord te kiezen ook

zichzelf verdacht maakt. Datzelfde doet zich voor wanneer de vreemdeling de letterkundigen 'met een zeker poids' toespreekt op 

pagina 19. In het Russisch staat er vesko, dat niets meer of minder dan 'gewichtig' betekent, zoals we kunnen lezen op p. 87. Op

p. 146 heet het trouwens 'afgemeten', op p. 350 weer 'gewichtig'. 

 

Het lijkt er sterk op dat Fondse en Prins een bepaalde opvatting over literatuur hebben (een opvatting met een zeker poids) die ze 

de Nederlandse lezers door de strot willen duwen. Met hun slechte smaak doen ze de schrijver Boelgakov geen eer aan: hij bedenkt 

weliswaar de meest fantastische verhalen, zijn stijl daarentegen is heel gewoon, in de zin van: helder, eenvoudig, toegankelijk. Het 

moge duidelijk zijn dat zulke bemoeials met dergelijk onliteraire smaak ongeschikt zijn voor het vertalen van de grootste kunstwerken

uit de Russische letterkunde.

 

Toen ik het regiovoetbal nog versloeg bij de Alkmaarsche Courant las ik 's ochtends wel eens woorden als 'goalie' terug in mijn stukjes.

Dat had ik zelf zo niet geformuleerd, maar dan was de eindredacteur enthousiast bezig geweest als ik tweemaal het woord 'doelman'

of 'keeper' gebruikt had - had-ie onthouden van het eerste college op de School voor de Journalistiek. Misschien moeten de synoniem-

verslaafden Fondse en Prins in Alkmaar solliciteren, zodat ze verhalen over Feyenoord kunnen larderen met termen als 'de club uit de 

Maasstad' of 'de stadionclub', en mocht Cruijff het ondermaanse eens voor de eeuwige jachtvelden verruilen en tussen zes plankjes

belanden, dan vullen ze de krant voor mijn part met duizend variaties op 'Verlosser'. Dan zijn we allemaal verlost.

ps. De besproken vertaling is weliswaar van 1997, maar wordt nog steeds gedrukt. (15 juli 2011)

pps. Volgens Aai Prins - zo heb ik begrepen - dienen de uitgelichte vertaalfouten aan wijlen Marko Fondse te worden toegeschreven.

Laten we zeggen dat ze zich heeft laten overweldigen door het leeftijdsverschil. (15 september 2011) 

LEES MAAR, ER STAAT NIET WAT ER STAAT

Dat iedereen de wet moet kennen is een even gangbaar als onmogelijk principe van het Nederlands en Europees strafrecht. Veel 

minder wordt geclaimd dat iedereen zou moeten weten wat recht is. Toch gaan rechters veelal uit van onze juridische intuïtie 

wanneer zij in de letter van de wet niet vinden wat zij zoeken. Toen de jurist Martinus Nijhoff de bekende woorden ‘Lees maar, 

er staat niet wat er staat’ schreef, besefte hij misschien niet dat hij een regel van geldend recht citeerde. Maar zouden rechters 

zich wel mogen beroepen op onze intuïtie om recht te vinden?

 

Het is helaas, of gelukkig, niet mogelijk om elk denkbaar menselijk gedrag te voorspellen, te omschrijven en met straf te bedreigen,

dus zullen we het altijd moeten doen met een onvolledig wetboek van strafrecht en zal er altijd in enige mate onzekerheid bestaan 

over wat strafbaar is, en wat niet. De schrijver Rozemond beweert dat de strafrechtelijke rechtsvinding zo'n driekwart eeuw 

achterloopt bij het privaatrecht en de rechtsfilosofie, en dat een van de oorzaken daarvan is het nogal conservatief vasthouden 

aan het legisme door strafjuristen.

 

Legisme houdt kortweg in dat de betekenis van de wet in de wettekst en de wethistorische toelichting gegeven is. Deze wijze van 

rechtsvinding wordt bepleit om de rechtszekerheid te garanderen en willekeur te voorkomen (overigens heeft het woord willekeur

in de rechtswetenschap een heel andere betekenis gekregen dan in het dagelijks taalgebruik). Wie bestraft wordt had wel moeten

kunnen weten welk risico hij liep. Legisten zien natuurlijk ook in dat niet elk gedrag vooraf beschrijfbaar is in een strafwet, maar

pleiten voor restrictieve wetsuitleg in onvoorziene gevallen, zoals bijvoorbeeld de advocaat-generaal deed in de onder juristen 

beruchte Mensenroof-zaak.

 

In deze zaak voor de Hoge Raad der Nederlanden werd een handelaar in illegale adoptiekinderen vervolgd op grond van het uit

1886 stammende artikel 278 Wetboek van Strafrecht – een artikel dat verbiedt ‘iemand over de grenzen van het Rijk in Europa 

[dat is Nederland] te voeren, met als oogmerk hem wederrechtelijk onder de macht van een ander te brengen’. Nu heeft verdachte 

het eenjarige meisje Lisa weliswaar over de Nederlandse grenzen vervoerd, maar hij deed dat vanuit Brazilië naar Nederland en

in de ministeriële toelichting bij art. 278 wordt gesproken van ‘het vanuit Nederland over de grens voeren naar het buitenland’.

Voor de terughoudend opererende legist is het duidelijk: verdachte is niet strafbaar, althans niet op grond van dit artikel.

Het valt in theorie niet uit te sluiten dat de babyhandelaar in kwestie de  memorie van toelichting bij artikel 278 Sr. kende en in de

veronderstelling verkeerde dat hij zonder problemen iemand naar Nederland ontvoeren kon. Maar de belezen man werd tóch vervolgd

en beriep zich, vanuit een legistische overtuiging, op het legaliteitsbeginsel, dat inhoudt dat niets strafbaar kan zijn zonder 

voorafgaande strafbaarstelling. 

 

(Als we nu het legisme laten varen en onze juridische intuïtie laten spreken, komen we tot de conclusie dat verdachte best had 

kunnen weten dat wat hij gedaan had strafbaar was, al was het maar omdat zijn handelen wel onder andere bepalingen van de 

Nederlandse strafwet valt.)

 

In de memorie van toelichting wordt gesproken over het gevaar dat slachtoffers vanuit het beschermende Nederlandse 

rechtssysteem weggevoerd werden naar een ‘andere taalgemeenschap’ in ‘onbeschaafde’ landen, wellicht bewoond door

‘vreemde rovers’ – naar complete hulpeloosheid dus. Dat artikel 278 ook op personen kon zien die vanuit andere landen

Nederland binnen worden gevoerd, lag volgens de Hoge Raad ‘kennelijk buiten de voorstelling van de toenmalige wetgever’ 

– maar, wordt hiermee geïmpliceerd: niet buiten de bedoeling.

In het kader van een aantal ontwikkelingen, waaronder ‘kennis van een of meer talen’ door burgers en de totstandkoming 

van een internationale gemeenschap, ‘ligt het niet voor de hand dat […] onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds Nederland

en anderzijds “[…] landen bewoond door onbeschaafde volken”, aldus de Hoge Raad.

 

Er zijn verschillende redenen denkbaar waarom ontvoering náár Nederland in 1886 niet strafbaar is gesteld door minister Modderman,

maar al die redenen zijn uit legistisch oogpunt even oninteressant. Restrictieve wetsuitleg eist dat alles buiten de delictsomschrijving

onbestraft blijft. Dit lijkt ook te volgen uit art. 7 lid 1. van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, een gecodificeerd

legaliteitsbeginsel.

 

Maar het Europees Hof denkt daar anders over, getuige een andere zaak, ‘Legaliteit in Straatsburg’, die aldaar in 1995 speelde: ‘De 

voortschrijdende ontwikkeling van het strafrecht door middel van rechterlijke interpretatie, uitmondend in aanpassing aan veranderende

omstandigheden is niet in strijd met art. 7, mits de uitleg die in de jurisprudentie wordt gegeven aansluit bij de essentie van het delict en

redelijkerwijze voorzienbaar is.

 

De Engelse verdachte in deze zaak was de woning van zijn echtgenote binnengedrongen - ze woonden al niet meer samen en waren

van plan te scheiden - en probeerde haar te verkrachten. Hij zag zich genoodzaakt geweld aan te wenden en kneep haar onder meer

de keel dicht. De vraag is nu dus of hij redelijkerwijs had kunnen voorzien dat wat hij deed strafbaar was. Onze juridische intuïtie schreeuwt

nu: strafbaar!, maar ’s mans advocaat was koelbloedig genoeg om met de volgende rechtswetenschappelijke toelichting uit 1736 op de

proppen te komen: 'The husband cannot be guilty of rape commited by himself upon his lawful wife, for by their matrimonial consent and 

contract the wife had given up herself in this kind unto her husband, which she cannot retract.'

(We zullen ons maar niet afvragen of er vandaag de dag nog onbeschaafde landen zijn waar vreemde rovers wonen die zulke rechten 

genieten, maar tot 1991 kon een hitsige echtgenoot in Nederland ook gewoon zijn gang gaan.)

 

Het voorbijgaan aan de juridische intuïtie van de burger is in dit specifieke geval niet te verdedigen - wij zouden verdachtes verdediging 

lachwekkend vinden als het allemaal niet zo treurig was geweest, maar we moeten ons wel realiseren dat er tijden waren, namelijk in de

achttiende eeuw, waarin een dergelijk beroep wél slaagde. Dat had weliswaar meer met mannelijke hegemonie te maken dan met

rechtsstatelijke democratie, maar zuiver legistisch gezien deed deze agressieve verkrachter dat wat hem naar de wet toegestaan en

door de bijbel opgedragen was.

 

Ik vind het altijd wat merkwaardig wanneer gedaan wordt of het recht een natuurwetenschap is en bepaalde verschijnselen 'verklaard' 

worden alsof die niet gewoon door andere juristen verzonnen zijn, maar ik kan in dit betoog niet om de Sprong van Scholten heen, die

inderdaad net zo deftig klinkt als het Effect van Doppler, maar nog allitereert ook.

 

Volgens Scholten is elke wetstoepassing een sprong van de algemene regel naar specifieke feiten. Deze sprong kan nooit precies voorspeld

worden door de tekst van de wet of de toelichting van de minister en zodoende springt de rechter mee. Om bijvoorbeeld te bepalen wat 

het begrip ‘opzet’ inhoudt is een woordenboek of een memorie niet voldoende en moeten we wel teruggrijpen op wat rechters vinden, en 

aangezien die niet altijd synchroon springen kan de burger alleen maar hopen dat zijn intuïtie juist was.

 

Belangrijk om vast te stellen is wel dat hoe ernstiger de zaak en de strafbedreiging, hoe vanzelfsprekender de juiste intuïtie geacht mag

worden, en dat ons strafrechtstelsel, anders dan in sommige andere landen, het product van onze gezamenlijke juridische intuïtie is.

De mensenhandelaar en de verkrachter waren óók criminelen geweest als ze door een legistische maas van de wet gekropen waren.

Ik begon dit stuk met te stellen dat de wet aan een ieder bekend geacht wordt, maar het recht niet. Voor de meeste mensen geldt dit 

eerder andersom.